Alfred Birney schrijver, webfreak, gitarist

alfred birney is uit het jaar van de kat

Auteur    Bibliografie    Boeken    Contact    TABs    Sitemap   


Yournael van Cyberney: De boekhouders van de Indische letteren (3) – Het corpus volgens Bert Paasman

Bert Paasman zet in zijn Grenzen en grenscorrecties in de Indisch-Nederlandse literatuur eens op een rij wat Olf Praamstra onder de Indisch-Nederlandse letterkunde verstaat. Dat is a) literatuur geschreven in de koloniale periode (1800-1942); b) literatuur geschreven door mensen die in Nederlands-Indië geleefd of gewoond hebben; c) literatuur binnen de algemeen erkende genres voor volwassenen (proza, poëzie, toneel). Paasman erkent, uiteraard, het belang van begrenzingen, anders kun je niet tot zoiets als een nieuwe beschrijving van de Indische letterkunde komen. Hij erkent ook dat de grenzen die Praamstra trekt niet anders dan helder zijn te noemen. Paasman merkt ook fijntjes op dat Praamstra’s voorgestelde literaire teksten zich zelfs laat tellen. Leuk, want van zo’n strenge afbakening heb ik ook nog nooit gehoord.

Hoe wil Paasman het dan?

Eerst maar een kijken hoe hij Praamstra te lijf gaat. Paasman vindt het niet ‘natuurlijk’ om bij het voorstel van een presentatie van een corpus teksten uit te gaan van een historische periode en bovendien nog die periode voor te behouden aan auteurs die toevallig hun stappen op Nederlands-Indische bodem hebben gezet. Veeleer pleit Paasman om van ‘tekstuele kenmerken’ uit te gaan. Voor hem behoren alle expressieve teksten die een sterk engagement hebben met Indië én ‘het Indische’ tot de Indisch-Nederlandse literatuur. Teksten uit de VOC-tijd, zowel uit de tijd van de kolonie als uit ‘Indisch Nederland’ kunnen een dergelijk engagement hebben.

Het begrip ‘expressief’ is bewust door Paasman gekozen. Hij wenst het begrip ‘literair’ namelijk te vermijden, omdat dat begrip aan sterke veranderingen onderhevig is. Die veranderingen schrijft hij op naam van de schrijvers zelf en van de beoefenaren van de literatuurgeschiedenis en -wetenschap. Of hij bij die laatste groep ook critici rekent, is niet duidelijk. Waarschijnlijk niet. Zou hij een broertje dood aan ze hebben?

Critici hebben toch een stem, dat valt niet te ontkennen. Wie de mode, of ontwikkeling, volgt, zal weten dat critici steeds minder geneigd zijn hun literaire normen aan te passen aan de boeken die ze te lezen krijgen. Critici missen steeds vaker die onbevangenheid die wij schrijvers graag zouden willen zien. Sommige hebben het zo hoog in hun bol dat ze ons zelfs hun normen willen opleggen. Over redacteuren zal ik het maar even niet hebben, onder wie sommige net doen alsof ze eigenhandig hele boekwerken herschrijven eer zij het hun uitgever op de markt laten gooien.

Andere critici, de zwakkere, passen hun normen soms zelfs aan aan het imago van de krant waarvoor zij hun kritieken schrijven. Ze moeten hun brood verdienen, niet? En dan zwijg ik nog maar even over wat er achter de schermen gebeurt, hoe stukken van critici weliswaar financieel worden gehonoreerd door kranten en tijdschriften maar gewoonweg niet geplaatst worden omdat het onderwerp toevallig wat minder actueel is.

Deze toevoeging van mij doet niets af aan Paasmans signalement van een zwevende literaire norm en bevestigt dat eerder. Toch is er altijd, in welke tijdvak ook, sprake van een consensus. Die consensus bestaat bij gratie van hen die de macht hebben, zij die kranten en tijdschriften volschrijven met hun literaire beschouwingen en zij die de stoelen achter de radiomicrofoon en televisiecamera bezetten. Het is nauwelijks zo, dat wanneer een mode verdwijnt, er opeens zogenaamde vergeten auteurs uit de voorbije tijd komen opduiken. Het kan weleens voorkomen, maar zeer sporadisch, en dan alleen pas na zeer ijverige inspanning van een bewonderaar, zoals Gerard Termorshuizen de werken van P.A. Daum weer onder de aandacht wist te brengen (overigens niet zonder de belangstelling van die duizenden Indische mensen die deze schrijver altijd in de boekenkast hadden liggen). Grosso modo telt wie rond 1900 niet werd besproken in de pers, nu hoogstwaarschijnlijk vergeten is. Thans ligt de zaak nog extremer: wie nú niet wordt besproken, die is morgen niet vergeten, nee, die heeft eenvoudig nooit bestaan.

Paasmans opmerking dat het literair-esthetische standpunt van de negentiende eeuw – waarin slechts proza, poëzie en toneel tot de literatuur gerekend worden – passé is, klopt niet helemaal. Hij noemt het een gedateerd standpunt. Intussen wordt er momenteel wat afgeklaagd over de enorm verzwakkende aandacht voor het essay, om maar wat te noemen. Als er één genre is dat wij tot in de huidige 21e eeuw hebben meegenomen, dan is het de roman wel. Poëzie is onverkoopbaar geworden en wordt door uitgevers als waardeloos beschouwd, toneel bestaat alleen nog enigszins bij gratie van subsidie. Het momentum van deze woorden ligt op Prinsjesdag 2000, waarop het Haagse toneelgezelschap De Appel definitief te horen heeft gekregen dat het geen subsidie meer zal krijgen. En de roman? Die bloeit net zo waanzinnig als 100 jaar geleden in Indië.

Welke romans krijgen momenteel de aandacht? In wezen geldt dezelfde vraag voor de boekhouders van de Indische letteren, al blikken die voornamelijk terug. Mode telt nu uiteraard in veel mindere mate mee wanneer het gaat om zoiets als de afbakening van een stel teksten. Het overzicht is eenvoudiger wanneer je terugkijkt, althans zo zou het moeten zijn. Niet voor de Indische letterkunde. Zo vreemd is dat niet, want die is nog relatief jong, er is relatief weinig over geschreven, afgezet tegen wat er allemaal niet is geschreven over de Nederlandse literatuur.

Om zijn ‘tekstuele kenmerken’ nog wat te verduidelijken legt Paasman nadruk op een sterk engagement. Het vermelden van Indië of het Indische in een tekst volstaat niet, wat hem betreft. De tekst moet zich in presentatie en thematiek op indringende wijze met de expansie, kolonisatie of dekolonisatie bezighouden. Waarmee Paasman dus ook de boeken tot op heden beoogt: van de Tweede Generatie en, mocht er nog wat van komen, de Derde Generatie. Klinkt goed, maar wat is een indringende tekst?

Indringendheid kan evengoed als een algemene literaire norm worden beschouwd. ‘Overtuigend… navoelbaar… geloofwaardig… ontroerend… authentiek…’ Dat zijn allemaal termen uit de pen van hedendaagse critici en kunnen allemaal onder de noemer ‘indringend’ worden gerangschikt. Zal Paasman misschien bedoelen dat een tekst als het ware geschreven had moéten worden? Dat de schrijver bijna geen andere keuze had dan juist díe tekst te schrijven? Ook dát was ooit een stokpaardje van de modegevoelige critici. Maar ook dan: maakt dat zo’n tekst dan per definitie waardevol?

Een voorstel van de veel geciteerde Henk Maier om bijvoorbeeld ook Nederlandse vertalingen van bijvoorbeeld Pramoedya Ananta Toer bij het corpus te betrekken, wordt door Paasman verworpen. Het bestuderen van zulke teksten kan zeer waardevol zijn, maar dat mag niet worden gelijkgesteld aan het afbakenen van een corpus Nederlandse teksten. Terecht een belangrijk onderscheid. Je kunt Salman Rushdie lezen als een waardevol schrijver, maar de CPNB moet hem geen verlaat literair asiel bieden binnen de Nederlandstalige gelederen, waar het wemelt van de Nederlandstalige schrijvers met een ander land van herkomst dan het laagland achter de duinen. Als je zo ver gaat, laat die Nederlandse letteren dan ook maar voor wat ze zijn en voer het Euromerk in voor de Europese literatuur. Zo ook Indië en Indonesië. P.A. Toer erbij? Noem het dan de Indische en Indonesische literatuur.

Paasman maakt dus strikt onderscheid tussen bestudering van de Indisch-Nederlandse literatuur en de teboekstelling van deze literatuur. Vele boeken zijn dus waardevol gelezen en bestudeerd te worden, maar niet alle waardevol of geschikt genoeg om in een overzichtswerk op een rijtje gezet te worden. Welke dan wel en welke dan niet? In elk geval hebben zijn beoogde werken een substantiële band met Oost-Indië, Nederlands-Indië en Indisch Nederland.

Dit laatste is interessant. Paasman bedoelt met ‘Indisch Nederland’ de thema’s van repatriëring, aanpassing, herinnering, Indisch leven buiten Indië, Indische identiteit, terugkeerreizen, roots-reizen, enzovoort. Hiertoe rekent hij literatuur van Indo’s, Nederlandse Molukkers én totoks, zowel die van de eerste als de tweede generatie. Wie hem met die tweede generatie totoks voor ogen staan, zou ik niet weten. Adriaan van Dis en Kester Freriks misschien? Hoe dan ook, Paasman komt zelfs met de bewering dat het engagement van de Tweede Generatie schrijvers, geboren en getogen in Nederland, zeker niet minder sterk is dan die van de eerste generatie. De literatuur van de Tweede Generatie níet tot de Indisch-Nederlandse letterkunde rekenen, zou in zijn ogen absurd zijn.

Vriend Paasman. Komt u eens een bordje nasi rames bij mij eten? Vooral mijn tahoe en tempé zijn niet te versmaden.

Paasman geeft ook enig inzicht in de benaming van de literatuur. De docent koloniale en postkoloniale letteren (van het Indische én het Caribische gebied) beschouwt Indisch-Nederlandse literatuur als een overkoepelende aanduiding. De literatuur geschreven door Mestiezen, Indo-Europeanen, Indo’s, Indische Nederlanders etc. (Molukkers?) zou men dan als subcategorie met de term Indische literatuur kunnen aanduiden. Goddank zegt hij even niets over de omkering Nederlands-Indische literatuur, want dat zou de boel weer ingewikkeld maken, al zou ik me kunnen voorstellen dat dát weer literatuur is dat van Nederlands-Indische bodem komt. Misschien iets voor Praamstra?

Benieuwd trouwens naar werken van Mestiezen. Zijn die er wel? Of bedoelt Paasman dat hij de uit de orale traditie overgebleven verhalen van de Mestiezen ook mee zou willen rekenen?

Over de annexatiegedachte van contemporaine literatuur óver Indonesië, of verhalen die zich afspelen ín Indonesië, heeft Paasman ook zijn gedachten. Werken die slechts een band hebben met het onafhankelijke Indonesië zijn voor hem hetzelfde als werken die een band hebben met Finland of Peru. Boeken van allerlei reizigers naar Indonesië horen dus niet thuis in de Indisch-Nederlandse literatuur en daarmee schaart hij zich eens aan de kant van Olf Praamstra maar gaat hij weer in tegen de ideeën die onder anderen Rob Nieuwenhuys en Peter van Zonneveld hierover hebben geuit.

Engagement met Nederlands-Indië blijft een vereiste. Hierin maakt hij geen onderscheid tussen zij die wel en zij die niet in Nederlands-Indië zijn geweest. De door Praamstra te verbannen Onno Zwier van Haren bijvoorbeeld, die nooit een voet op Indische bodem zette, hoort volgens Paasman wel degelijk thuis in het corpus, juist vanwege zijn engagement.

Hoe zou Paasman eigenlijk een dichter als G.J. Resink plaatsen, die na de soevereiniteitsoverdracht opteerde voor het Indonesische staatsburgerschap en toch zijn bijkans Javaanse poëzie in het Nederlands schreef?

Tenslotte wijst Paasman op de lijn van motieven vanaf de VOC-tijd tot op heden. Goena-goena, gemengde relaties, een vrijere seksualiteit, sociale en raciale verhoudingen, de lijn van expansie, kolonisatie en dekolonisatie, dat alles vormt toch een duidelijk waarneembare continuïteit. Kijk eens aan. Dat is iets wat zelfs de ‘Nederlandse literatuur’ niet kan zeggen.

Tot zover alles tamelijk duidelijk en helder. Waarmee voor mij nog slechts één vraag rest: het selectiecriterium expressief, zo expressief verwoord door deze sympathieke wetenschapper. Als Bert Paasman dit criterium nader zou kunnen omschrijven, wisten we al iets meer. Zou hij, in navolging van zijn pendant Olf Praamstra, het lef hebben om een voorkeurslijst van titels aan het universitaire prikbord te hangen? Je kunt moeilijk een serieus overzichtswerk opsieren met Indische schetsjes en krabbels, dat muffe voer dat historici en literatuursociologen tot zich nemen. Goed, dát onderkent hij dus.

Er zou maar één reden kunnen zijn om níet met een voorlopige lijst te komen: eenvoudig afzien van het daadwerkelijk beschrijven van de Indische literatuur door Bert Paasman himself. Noem het een uitweg. Kan ook. En dan wel eentje zónder uitzicht op een fatsoenlijk vervolg van het zo geprezen en verguisde standaardwerk van Rob Nieuwenhuys, de Oost-Indische Spiegel.

Bron:

Grenzen en grenscorrecties in de Indisch-Nederlandse literatuur. Bert Paasman. Indische Letteren, veertiende jrg, nr 2, juni 1999

* * *

alfred birney yournael van cyberney Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!