Yournael van Cyberney: De boekhouders van de Indische letteren (4) – Het oog van Gerard Termorshuizen
Voor wie het niet weet: Gerard Termorshuizen is de bezorger van de Verzamelde Romans van P.A. Daum. Tien werken in drie fraai uitgevoerde delen, met leeslint. Ik heb, helaas, een blinde vlek voor Daum, of, helaas, een goede smaak, dus toen ik het artikel van Gerard Termorshuizen onder ogen kreeg, dacht ik dat hij vast wel de afgrijselijkste schrijvers zou noemen die je maar kan bedenken. Valt reuze mee, al begint hij zijn bijdrage aan het ‘eigen gebied’ van de Indische letteren met een verwijzing naar Hella Haasse. Weer zo’n overgewaarde auteur die ik-weet-niet-waarom zo overdreven veel aandacht krijgt. Straks ga ik die Termorshuizen nog tegenkomen in Jakarta, waar een congres gehouden wordt ter ere van het zestigjarig bestaan van de letterenfaculteit van de Universitas Indonesia. Stel je voor, zit je toevallig met die man aan een tafel… als-ie dan maar niet over Daum en Haasse begint, want dan begin ik over Sei Shonagun en Kawabata. Of over mijn overgrootvader, als Termorshuizen misschien gezellig een sigaartje wil roken.
Termorshuizens bijdrage aan de bijeenkomst van de boekhouders van de Indische letteren heet Anders gezien, andere beelden. Buitenlandse auteurs over Indië: houd ze in de buurt en koester ze. Alstublieft: de hele inhoud van zijn betoog reeds in de titel samengevat. Duidelijker kan niet. Maar is Termorshuizen echt zo duidelijk?
Hella Haasse is de directe inspiratiebron achter zijn betoog. Mooi zo, want van schrijvers moet je het uiteindelijk hebben. De grand old lady publiceerde in 1993 in Indische Letteren haar Albert Verwey-lezing, waarin zij zich de vraag stelt of het werk van sommige buitenlandse auteurs wellicht een aanvulling kan geven op de ons vanuit de Indisch-Nederlandse letterkunde vertrouwd geworden belevingswereld. Die vraag beantwoordt Haasse maar alvast bevestigend en waarom ook niet: het is niet slecht als auteurs zich een beetje met literatuurwetenschap gaan bemoeien (mits ze er geen gewoonte van maken, Cyberney!). Haasse wijst op werk van Joseph Conrad en Somerset Maugham, die een ándere blik werpen op de door onze literatuur gesuggereerde belevingswereld. Voor Termorshuizen spreekt het in navolging van Haasse ook vanzelf dat in andere talen geschreven literaire teksten over Indië ‘onze’ aandacht verdienen. Hij zegt zelfs dat als hij een antwoord moet geven op de vraag of zulke buitenlandse werken dan ook tot de Indische letteren behoren, hij geneigd is daarop met ‘ja’ daarop te antwoorden.
Belangrijk is te weten dat Termorshuizen met Indische bedoelt: over Indië handelende teksten. Of die auteurs daar dan ook geweest moeten zijn, dat zegt hij niet, al komt hij later in zijn bijdrage wel met voorbeelden van auteurs die er allemaal hebben rondgedard.
Maar er is hem ten behoeve van de discussie gevraagd: horen de bedoelde teksten bij de Indisch-Nederlandse letterkunde? Men krijgt het volgende, diplomatieke antwoord: Omdat er volgens mij geen andere mogelijkheid is daarop met ‘nee’ te antwoorden, en ik met dat antwoord moeilijk vrede kan hebben, stel ik een wat voorzichtiger vraag: is het mogelijk om die buitenlandse literatuur over Indië, zonder ze daarin te incorporeren toch in de buurt van de Nederlandse Indische letteren te houden?
Waarmee Termorshuizen zich feitelijk buiten de discussie plaats. Waarom geen ‘ja’ zeggen als je geen ‘nee’ wilt zeggen? Wat bedoelt hij met: ‘in de buurt houden’? Eens kijken waar hij zijn grenzen trekt, die in elk geval zonder Praamstraëske slagbomen gemarkeerd zullen worden.
Termorshuizen besteedt een groot deel van zijn betoog aan geschriften uit de VOC-tijd. Ha! Heeft die man dus tóch smaak? Hij vertelt dat de archipel ook op buitenlanders een geweldige aantrekkingskracht had en dat het dus voor de hand ligt dat ook door niet-Nederlanders heel wat over Indië is geschreven. Als ‘prachtig voorbeeld’ noemt hij de brievenroman van de Franse Paul Adam (1862-1920): Lettres de Malaisie (1922). In dit boek wordt een Utopia op Borneo geschetst, waarin Europese mannen, inlandse vrouwen en Chinezen zich, niet gehinderd door racistische barrières, vermengen. Toch acht Termorshuizen dit boek als een op zichzelf staande curiositeit en hij vindt dan ook dat hij zich beter kan richten op buitenlandse auteurs die op grond van persoonlijke ervaringen hun boeken hebben geschreven. Hier komt Termorshuizen dicht in de buurt van Paasman, die ‘expressieve teksten die een sterk engagement met Indië hebben’ als belangrijke ‘tekstuele kenmerken’ ziet.
Veel is er geschreven in de Engelse, Franse, Duitse, Poolse en Hongaarse Indische letteren, aldus Termorshuizen, wiens kosmopolitisch gebruik van de term ‘Indische letteren’ mij wel amuseert. Termorshuizen wijst op een proefschrift van Roelof van Gelder, die liefst 79 teksten vond van 47 Duitse soldaten en matrozen in dienst van de VOC. Die teksten zijn vaak boeiend omdat zij soms nieuwe informatie bevatten en soms informatie uit Nederlandstalige geschriften nuanceren. Geschriften van bijvoorbeeld Hongaren bevatten interessante informatie, al is het maar door hun andere cultureel-sociale achtergrond.
Tijd dus ook voor hem om in te gaan op de verschillen tussen literaire en niet-literaire genres. Hij vraagt zich af of het wel juist is om bijvoorbeeld het reisverhaal, het dagboek en de brief uit te sluiten. Voor veel auteurs, die in ‘normale’ omstandigheden nooit tot schrijven zouden zijn gekomen, was Indië de drijfveer dat wél te doen.
Ja, hier raakt Termorshuizen inderdaad aan een zeer specifiek kenmerk van de Indische letteren – je zou het bijna een oorzaak noemen – al kun je hetzelfde beweren met oog op bijvoorbeeld de Tweede Wereldoorlog. Die oorlog heeft tallozen tot schrijven gebracht en tallozen zijn ondertussen allang door de sorteermachine van de grootboekhouders der Nederlandse letteren gegaan. Het grote verschil is natuurlijk, dat die geschiedenis jonger is, veel ooggetuigen heeft nagelaten en bovendien zo bekend is, dat er nauwelijks nog valt te zoeken naar verhalen die verborgen zijn gebleven. In die zin is het dan ook opvallend dat Termorshuizen geen namen noemt van Indonesische schrijvers, terwijl hij toch maar mooi nieuwsgierig is naar nuanceringen van buitenlandse schrijvers. Hij zegt zelfs dat nuanceringen van niet-Nederlandse auteurs niet mogen ontbreken. Benieuwd wat-ie zou doen met een in het Japans geschreven boek van, zeg, een Japanse soldaat tijdens de Japanse bezetting van Indië.
Termorshuizens kennelijke behoefte aan nuancering lijkt in tegenspraak met zijn gewenste persoonlijke karakter in de door hem beoogde teksten. Want waarom moeten Nederlandstalige teksten over Indië, die vaak zwaar leunen op persoonlijke ervaringen, zo nodig worden bijgesteld door geluiden uit bijvoorbeeld de Hongaarse hoek? Je zou bijna denken dat Termorshuizen zijn Nederlandstalige auteurs niet helemaal gelooft, terwijl hij toch op zoek is naar zoiets als het subjectieve element, dat per definitie de persoonlijke ervaring kenmerkt. Hij zou vast tegenwerpen dat het hem gaat om een zo ruim mogelijke kijk op Indië. Dat ligt dan wel een eindje weg van zoiets als literatuurgeschiedenis, dunkt mij.
Klopt, want Termorshuizen benadrukt het sterke documentair-persoonlijke karakter van de teksten. Hij acht de sociologische context wezenlijk. Geen lezer ontkomt eraan. En al helemaal niet de onderzoeker. Daarom ook is Rob Nieuwenhuys’ Oost-Indische Spiegel blijven hangen tussen literatuurgeschiedenis en sociale geschiedenis, aldus Termorshuizen. Hij denkt niet, zoals Praamstra, voor wie het literaire uiteindelijk toch de boventoon moet voeren, dat aan die sociologische aspecten onevenredig veel aandacht is geschonken. En hij geeft een voorbeeld van Haasse, die in haar Albert Verwey-lezing tussen de grote namen van Conrad en Somerset Maugham ineens gewag doet van de reisverhalen van ene Mrs. Ponder, een in de letteren onbekende Engelse dame die in de jaren dertig over Java reisde. Volgens Peter van Zonneveld was zij overigens een Australische dame, maar dit terzijde.
Termorshuizens boodschap is duidelijk, althans waar het om genres gaat. Uitsluiting van welk genre dan ook is taboe en daarin heeft hij Bert Paasman aan zijn zijde en Olf Praamstra tegen zich. Maar hoe zit dat nu met die niet-Nederlandstalige teksten?
Nou, Termorshuizen bedoelt alleen maar te zeggen dat die teksten van wezenlijk belang zijn bij literatuursociologisch gericht onderzoek. En dat het niet zijn bedoeling zou zijn de Indisch-Nederlandse, Indisch-Engelse, Indisch-Duitse en Indisch-Hongaarse of wat voor Indische letteren dan ook, tot één literatuurgeschiedenis om te smeden. Wél dat ze te gebruiken zijn. Voor ónderzoek. Hij zou ze in de Indisch-Nederlandse letterkunde opnemen als een subcategorie. Dat bedoelt hij met ‘in de buurt houden’. Zeg maar een flink voetnotenapparaat om de Indische literatuur wat internationale allure te geven.
In de buurt waarvan precies, zou ik nog altijd niet weten. Want hoe ziet dat Nederlandstalige corpus – dat toch de basis moet vormen van de Indische literatuur, niet? – er volgens hem dan uit? VOC-teksten mogen erin, dat is duidelijk. Dat is dus het startpunt. Nou, waar ligt het eindpunt?
Eén zin in Termorshuizens tekst wekt mijn wantrouwen op als ik aan de naoorlogse generatie denk: Vanaf het begin van de VOC-tijd tot aan het moment dat Indië Indonesië werd, hebben zich naast Nederlanders veel andere Europeanen op Oost-Indisch grondgebied opgehouden. Dus: tot aan het moment dat Indië Indonesië werd.
Dat heet terugblikken naar, ja, Oost-Indisch grondgebied. Termorshuizen lijkt progressief door te kijken naar niet-Nederlandstalige teksten over Indië. Maar hij kijkt louter terug. Hij mist een oog.
Bron:
Anders gezien, andere beelden. Buitenlandse auteurs over Indië: houd ze in de buurt en koester ze. Gerard Termorshuizen. Indische Letteren, 14e jrg, nr 2, juni 1999
Het Oost-Indisch avontuur. Duitsers in dienst van de VOC (1600-1800). Roelof van Gelder. Nijmegen, 1997
Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!


