Yournael van Cyberney: De boekhouders van de Indische letteren (6) – De oeverloze Siegfried Huigen
Siegfried Huigen moet het geharrewar van zijn collega’s meewarig hebben gadegeslagen. Voor hem bestaan taal en literatuur als selectiecriteria niet meer. Het literair-esthetische criterium is kunstmatig en het taalcriterium al helemaal niet meer van toepassing sinds het internationale onderzoek naar culturele aspecten in de koloniale literaturen al zo’n hoge vlucht hebben genomen. Nederland kan volgens hem hierin moeilijk nog achterblijven. Aftasten van grenzen is er niet meer bij en daarom heet Huigens bijdrage dan ook Grensoverschrijdingen.
Voor wie zit te wachten op een nieuwe beschrijving van de Indische letterkunde, die moet niet bij Huigen zijn. Te veel onderzoeker, te weinig schrijver. Hij maant zijn collega’s om vooral mee te doen aan het internationale debat, want die dekselse lui achter de Engelstalige letterenstudies liggen lichtjaren op ons voor en wel zo, dat het lijkt alsof Nederland helemaal geen bijdrage heeft geleverd aan de koloniale tekstproductie.
Huigen begint zijn betoog met de vaststelling dat de meeste bekende werken uit de Indische letterkunde zijn geschreven, uitgegeven én gelezen in Nederland. Literatuur die in de kolonie werd geschreven, had veel minder te betekenen. Dat klinkt logisch, er zat maar een handjevol Nederlanders in de kolonie: nog geen 100.000 Europeanen rond 1900, van wie slechts veertig procent thuis of op het werk Nederlands sprak. De voertaal van kinderen onderling overigens was Maleis of Petjôh. Misschien dat Peter van Zonneveld in dit verband zou kunnen melden of er kinderboeken geheel in Petjôh zijn geschreven. Waarschijnlijk niet, maar je weet maar nooit: curiositeiten zijn immers niet vreemd in de Indische letterkunde.
Net als zijn collega’s gaat Huigen in op een van de meest omstreden subtitels uit de secundaire literatuur: Rob Nieuwenhuys’ Oost-Indische Spiegel . Die subtitel luidt namelijk: wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven, vanaf de eerste jaren der compagnie tot op heden . Huigen stelt dat de naam ‘Indonesië’ natuurlijk een anachronisme is, omdat Indië het hele octrooigebied van de VOC tot 1800 dekte en niet alleen de huidige kaart van Indonesië. In die zin klinkt de opmerking van Bert Paasman hierover sympathieker: dat Nieuwenhuys de naam ‘Indonesië’ zal hebben gebruikt uit een vorm van correctheid naar de Indonesiërs toe.
Hoe dan ook: Huigen geeft Nieuwenhuys gelijk om de Indische literatuur als een Nederlands verschijnsel aan te merken. Ik hoor hem niet over de Indo’s onder die schrijvers – minstens 30 auteursnamen kunnen uit de losse pols op een rijtje worden gezet – maar ik neem aan dat Huigen deze groep ook wel onder dit Nederlands verschijnsel zou onderbrengen.
Huigen vindt wel dat Nieuwenhuys verwarring zaait door eigenaardigheden van de Indische letterkunde te verklaren uit culturele omstandigheden die in Indië heersten. Het ‘Indisch roddelcircuit’ zou het koren zijn waarvan de boekenbroden werden gebakken. Volgens Huigen wordt hiermee de suggestie gewekt dat de Indische letterkunde haar oorsprong vindt in de kolonie. Nou goed, als de Indische letterkunde haar bron dan niet heeft in de kolonie, dan toch zeker wel door de kolonie. Nieuwenhuys’ stokpaardje roddelpraat stoelt wel degelijk op culturele omstandigheden die in Indië heersten: het hele roddelcircuit is met de repatriëring gewoon mee naar Nederland genomen, waar tot op de dag van vandaag Indische coterietjes met elkaar ruziën, wat weer vérstrekkende gevolgen heeft voor het huidige algemene culturele Indische klimaat. Ik heb begrepen dat dat Indisch is, Huigen kennelijk niet, maar vooruit, laten we het daar dan maar even niet over hebben.
Huigen wenst duidelijk onderscheid te maken tussen representatie en gerepresenteerde werkelijkheid . Representatie staat voor literatuur; de gerepresenteerde werkelijkheid staat voor Indië. Volgens Huigen heeft Nieuwenhuys deze begrippen met elkaar verward. En omdat deze Godfather van de Indische letterkunde zo’n sterk stempel heeft gedrukt op de studie van die Indische letterkunde, worden ook nu nog de begrippen representatie en gerepresenteerde werkelijkheid met elkaar verward. Volgens mij is dat een dagelijkse verschijnsel, maar Huigen gelooft kennelijk niet in fictie. Hoewel de Indische geschriften overwegend van de koude grond afkomstig zijn, worden ze als exotische gerechten opgediend , schrijft hij ook nog. Klinkt leuk, maar misschien is het toch eerder zo dat Indische geschriften als exotische gerechten worden gezien .
Hoe kijkt Siegfried Huigen eigenlijk?
Huigen stelt een ander probleem aan de orde, een bekend probleem: de gedachte dat de Indische letterkunde een niet-literaire letterkunde zou zijn. Die gedachte vindt inderdaad zijn oorsprong bij Nieuwenhuys, waarmee de wegen van Rob Nieuwenhuys ook weleens ondoorgrondelijk kunnen worden. Immers: de nestor werpt zich in zijn Oost-Indische Spiegel herhaalde malen op als een soort criticus, die de literaire waarde van een boek weegt. Hij gaat zelfs zo ver om bijvoorbeeld zijn toch al belabberde bespreking van de boeken van een schrijver als Arnold Clerx in een latere editie er maar helemaal uit te schrappen. Misschien omdat Tjalie Robinson zich ooit heeft opgewonden over het verwerpelijke beeld dat deze schrijver van de Indo als type heeft neergezet in Schandaal op Poeloeh-Tampa (1941)? Tja, dat krijg je dan met die Indische jongens als Robbie en Tjalie onder elkaar. Kongsies, huh?
Huigen stelt terecht vast dat Nieuwenhuys in zijn literatuurgeschiedenis op twee gedachten hinkt: interesse in alles wat er over Nederlands-Indië is geschreven én een neerlandistische opvatting van wat literatuur is of zou moeten zijn. Nieuwenhuys’ oplossing voor dit probleem kwam te liggen in uitbreiding van het literaire domein. Huigen: Natuurwetenschappers, journaalhouders en geografen worden zo de literatuur binnengehaald, omdat ze goeie vertellers zouden zijn en en passant levert dit ook nog een mooie eigenaardigheid op voor de Indisch-Nederlandse letterkunde: in tegenstelling tot de Nederlandse letterkunde is deze literatuur immers erg onliterair.
Huigen doelt hier op schrijvers als Rumphius, Bontekoe, Valentijn en Junghuhn. Of al die lui onliterair schrijven, zou ik niet willen beweren. Ik begrijp toch al niet hoe de schoolmeesters van de Nederlandse letterkunde het bestaan om ons De klucht van de koe van Bredero door de strot te duwen in plaats ons het sappige scheepsjournaal van Bontekoe op te dienen. Enfin, Nieuwenhuys heeft met de presentatie van zijn prekoloniale auteurs het tijdvak met een slordige 200 jaar verruimd en daarmee een behoorlijke voorzet gegeven op het thans onder Indische mensen levende idee dat hun geschiedenis eigenlijk al is begonnen bij de 17e eeuwse Mestiezen.
Huigen acht het hoog tijd tot helderheid te komen over het studieterrein van de Indische letterkunde en hij zegt dat allereerst moet worden vastgesteld wat het literaire circuit in de kolonie behelsde. Omdat Huigen in het begin vaststelde dat de meeste bekende werken uit de Indische letterkunde zijn geschreven, uitgegeven én gelezen in Nederland , neem ik aan dat hij zijn collega Peter van Zonneveld de literaire kampong en desa in wil sturen om te kijken of er nog wat rondslingert dat aan de aandacht is ontsnapt. Huigen wil zijn studieterrein immers niet beperken tot literaire teksten.
Wanneer men onder Indische letterkunde verstaat wat Nederlandse schrijvers over Nederlands-Indië geschreven hebben, dan is het onderwerp van de teksten de samenbindende factor. Er is geen reden om daarbij ook de beperking te laten gelden dat die teksten literair moeten zijn.
Waarom niet?
Indische literatuur in al haar vormen is zeker tot aan het begin van de twintigste eeuw voornamelijk geografische literatuur die aan de inwoners van het moederland een beeld wilde geven van het leven in de verre kolonie. De esthetische functie stond niet voorop.
Als je die junkpile van geschriften op elkaar stapelt en daarnaast het stapeltje legt van schrijvers voor wie het esthetische wél voorop stond, dan is het inderdaad net alsof de esthetische functie niet voorop stond. Huigen wekt onbedoeld de indruk alsof er vrijwel geen schrijver was die zich serieus met de kunst van het schrijven bezighield. Ook heden te dage wordt vaak maar aangenomen dat werken van contemporaine Indische schrijvers louter steunen op het inhoudelijke en dat het dus wel geen literatuur zal zijn.
Het is moeilijk na te gaan wat schrijvers in Indië aan leesvoer tot hun beschikking hadden. Een beperkt aanbod van westerse literatuur is ook van invloed geweest op de literatuurkennis van die schrijvers en daardoor zouden veel boeken van ‘mindere literaire kwaliteit’ zijn. Deze achterstand zegt volgens mij niets over een veronachtzaamde esthetische functie bij die schrijvers.
Er is geen aparte literaire maatstaf aangelegd bij de beschrijving van de Indische literatuur. Nieuwenhuys heeft het geprobeerd door van het vertelde uit te gaan, waarmee hij in feite toch dichtbij de orale traditie zat, die stellig eeuwenlang sterk heeft geleefd in Indië. Beekman heeft het geprobeerd door van zijn geliefde scheepsjournalen uit te gaan, maar dwaalt gaandeweg af van dat uitgangspunt. Om dan nu maar géén maatstaf aan te leggen maakt de weg vrij voor ruimer onderzoek, maar ook dan zal bij de beschrijving van de literatuur of bellettrie of hoe je het maar wilt noemen eens het ogenblik komen waarop een maatstaf moet worden aangelegd en gehanteerd. Alle kritiek op Nieuwenhuys ten spijt: hij kon wél boeiend schrijven. En daarin ligt de magie die een hele horde lezers op het pad van de Indische letterkunde heeft gebracht.
Gerard Termorshuizens opmerking indachtig, waren er velen die zonder hun Indische ervaringen nooit de pen ter hand zouden hebben genomen. Daardoor hebben de pure schrijftalenten gezelschap gekregen van amateurs en misschien is het daarom dat de Indische literatuur niet serieus genomen wordt binnen de Nederlandse letterkunde. Je kunt je als wetenschapper van de Indische letterkunde wel met s.o.s.-berichten en krabbeltjes van zich vervelende bestuursambtenaren bezighouden, maar mij dunkt moet je die niet zomaar als belangwekkende teksten aan literatuurliefhebbers presenteren.
Huigen verwijst naar een receptieonderzoek gehouden door Jacqueline Bel: Nederlandse literatuur in het fin de siècle. Een receptie-historisch overzicht van het proza tussen 1885 en 1900 , een bijzonder leesbaar – op zich al zeldzaam – proefschrift uit 1993. Het viel Huigen op hoezeer literaire romans om niet-literaire redenen werden gelezen. Huigen geeft als voorbeeld Max Havelaar, een boek dat om literaire redenen kan worden gelezen maar om niet-literaire redenen destijds werd meegezeuld in de hutkoffers van ethische ambtenaren, juist vanwege de inhoud als navolgenswaardig model. Ik vraag me af of het Huigen ook, liever gezegd vooral, is opgevallen hoezeer niet-literaire romans om wel-literaire redenen werden gelezen en zo nagenoeg onbesproken de vergetelheid ingingen. Als hij dát nou naar voren had gebracht, dan was-ie wat helderder in zijn betoog geweest.
Ik vergeet nu even dat Huigen het helemaal niet heeft over de beschrijving van de Indische letterkunde. Hij heeft het over onderzoek en ik geef toe dat ik dat weleens dreig te vergeten. Tja, hoe zou dat nou komen? Nou, men zeurt maar aan over Rob Nieuwenhuys’ standaardwerk, zodat je de indruk krijgt dat men hunkert naar iets nieuws op dat gebied. Dat zij als het ware zitten te springen om tot een welhaast perfecte afbakening te komen, om dan desnoods dat nieuwe standaardwerk samen te schrijven.
Een tweede reden om literaire aspecten als selectiecriteria te vallen is uiteraard de wens tot verbreding van het aandachtsveld, zoals Paasman, Van Zonneveld en Termorshuizen die ook al uitten. Slechts Praamstra staat hierin alleen. De representatie was immers een Europese onderneming met bijvoorbeeld schrijvers als Rumphius en Junghuhn, die aanvankelijk in het Duits schreven. Dat deze schrijvers over zijn gegaan tot het schrijven in de Nederlandse taal kan Huigen even niks schelen. Een benadering die zich beperkt tot geschriften in de nationale taal is niet geschikt voor de bestudering van koloniale teksten in verschillende Europese talen die op allerlei manieren met elkaar verweven zijn.
Waar Gerard Termorshuizen ervoor pleit om die niet-Nederlandstalige teksten ‘in de buurt te houden’, daar gaat Huigen over tot het overschrijden van die grenzen. Zo’n man zal het dan vast ook wel best vinden een Engelstalige schrijver te komen laten vertellen over zijn land van herkomst in een boekenweekgeschenk uitgegeven door de CPNB, de Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek anno 2001, wanneer het hier in Holland wemelt van de Nederlandstalige schrijvers die van alles te melden hebben over hun land van herkomst. Tja, wie zoals Siegfried Huigen in Zuid-Afrika verblijft en dagelijks op straat Nederlands, Afrikaans en Engels door elkaar heen hoort praten, die stapt wat eerder over taalgrenzen heen.
Maar Huigens opvatting is natuurlijk niet zomaar willekeurig of louter stoelend op persoonlijke ervaring. Nee, hij is een wetenschapper en zal er wel voor waken een persoonlijke noot aan zijn betoog toe te voegen. Hij noemt de ‘westerse koloniale expansie’ het meest invloedrijke proces van de afgelopen vijf eeuwen, waarmee hij de eeuw van Portugese aanwezigheid van voor de Hollanders in Indië voor het gemak maar even meetelt. Of handeldrijven gelijk moet worden gesteld aan koloniale expansie, daarover wordt nog altijd druk gedebatteerd, maar goed, alles bijeengenomen heeft het geleid tot verplaatsing van mensen en ideeën en tot integratie van voorheen geïsoleerde gemeenschappen en economieën in een wereldomspannend geheel. Vergeleken daarmee is zoiets als de Tweede Wereldoorlog in Europa maar een oprisping.
Het klinkt wat cru en je moet er niet aan denken om de Japanse bezetting maar een oprisping te noemen, want je krijgt zo de hele eerste generatie Indo’s op je dak. Maar met de camera op de maan geplaatst snijdt Huigens boodschap wel hout, al laat hij de rol van de Oosterse volkeren hierin ook maar weer even voor wat het is. Huigen stelt vast dat historici traditioneel hoofdzakelijk aandacht hebben gehad voor de economische en politieke aspecten van de koloniale geschiedenis en de culturele voornamelijk hebben veronachtzaamd. Klopt, zelfs zo’n nieuw historisch werk van J.J.P. de Jong over ‘de Nederlanders in Azië en de Indonesische archipel’ staat bol van de economische beschouwingen en politieke verwikkelingen, al is De Jong wel zo modern om wat meer aandacht aan culturele aspecten te schenken dan vele voorgangers. Niet genoeg, dat niet, nee.
Nu komt Huigen tot een opvallende uitspraak. Hij zegt dat de koloniale expansie niet alleen een product is van kanonnen en begeerte naar winst, maar ook van representaties. Deze representaties stuurden in hoge mate het koloniale optreden. Hier onderschrijft hij dus de macht van het gedrukte woord. Verderop zegt hij dat van tevoren niet kan worden uitgemaakt of literaire teksten binnen het onderzoeksgebied belangwekkender zouden zijn dan niet literaire teksten. Kan wel zijn, maar als het tot een overzichtswerk komt, staat de Max Havelaar toch gewoon weer bovenaan de lijst. Huigen noemt die titel nota bene zelf gemakshalve maar weer in plaats van bij gelegenheid eens iets ánders te noemen.
Je krijgt bij het lezen van Huigens bijdrage geen ogenblik de indruk dat Huigen denkt aan zoiets als afbakening van het corpus. Zijn literatuursociologische benadering laat dat bijna niet toe. Huigens inspirator is de Amerikaanse Palestijn Edward Saïd, die met zijn baanbrekende essays een hele generatie wetenschappers ánders leerde lezen.
Saïds manier van lezen is erop gericht te achterhalen welke westerse vooronderstellingen dienden waarop representaties van het oosten zijn gebouwd. En hoe de gezaghebbende representatie de individuele schrijver dwingt tot aanpassing aan de heersende opvattingen en zodoende rechtvaardiging verschaft aan het optreden van de koloniale mogendheid. Deze manier van lezen van koloniale teksten is in de anglistiek de overheersende geworden en volgens Huigen ligt het grootste succes ervan in de geboden leeswijze. Uiteraard is de literaire kwaliteit dan niet meer van belang, maar gaat de aandacht als het ware uit naar de macht van een tekst en naar de verborgen spelonken waarin de historische rol die het speelde ligt opgeslagen.
Huigen noemt als voorbeeld Saïds boek Oriëntalism (1978), maar werkelijk aansprekend is Saïd wat mij betreft pas in Culture and imperialism (1993), wanneer hij uitgebreid ingaat op Jane Austen’s Mansfield Park . Niet omdat dat boek mij zo aanspreekt maar omdat het eenvoudig te vinden is en ik er niet voor naar de een of andere universiteitsbibliotheek voor moet, om daar te horen te krijgen dat Siegfried Huigen het nog op zijn tafel in Stellenbosch heeft liggen.
Als rechtgeaard wetenschapper hekelt Huigen wel de armoede van bronnenonderzoek in de meeste Engelstalige studies, wat volgens hem leidt tot generalisaties. Ook signaleert hij de neiging het Britse kolonialisme als exemplarisch voor het kolonialisme in het algemeen te beschouwen. Ongeveer zoals Wanda Boeke al signaleerde in een eerder journael, zegt ook hij nu: Op de achtergrond spelen Spanje en Frankrijk en vroegere eeuwen van koloniale expansie nog wel een rol, maar de niet onaanzienlijke Nederlandse bijdrage aan de koloniale tekstproductie is vrijwel onzichtbaar.
Uit eigen onderzoek naar koloniale teksten over Zuid-Afrika is Huigen gebleken dat de Nederlandse koloniale literatuur niet in een Brits keurslijf kan worden gewrongen. Resteert de vraag: hoe krijg je die Engelstalige onderzoekers zo ver al die Nederlandstalige werken te laten lezen? Misschien bedoelt Huigen slechts dat de internationale trend de weg is naar hoe men de Indisch-Nederlandse literatuur moet gaan benaderen? Huigen lijkt helder te denken, maar wat hij nou precies voorstaat ontgaat me in zijn artikel. Voor Huigen is er in elk geval alle reden om mee te doen aan het internationale debat. Voorwaarde is wel dat men het onderzoek aanpast en het ‘wankele onderscheid tussen literair en niet-literair’ laat vallen.
Nou, als je al moeite hebt de bekende Nederlandse koloniale werken voor het internationale voetlicht te brengen, hoe krijg je dan de brief in de fles van een koloniale schipbreukeling door de internationale wandelgangen gerold?
Iemand als Theo D’Haen blaast zijn partij al driftig mee op dat internationale podium en hij moet uit ervaring toegeven dat hij gemakshalve waardevolle teksten moet laten liggen. In zijn artikel Postmodernisms: From Fantastic to Magic Realist (1997) schrijft deze Theo D’Haen namelijk, na een opsomming van een hele zwik auteurs:
Obviously, the list could (and should) be expanded with writers in European languages other than English, and perhaps (but here I must confess ignorance) in non-European languages as well. For reasons of economy I will stay mainly with English language authors.
For reasons of economy dus. The same old song. Tja, wie zal hem dat gemak op het internationale podium kwalijk nemen? Internationalisering van de discussie over allerlei literaire kwesties leidt dus per definitie tot inkrimping van de lijst. De representatie mag dan internationaal zijn, de presentatie van de werkelijkheid behelst gewoon de Engelstalige gebieden of de gebieden die Engelstalige schrijvers als couleur locale hebben genomen.
Er zijn postkoloniale schrijvers die overgaan tot het herschrijven van koloniale romans vanuit het perspectief van de gekoloniseerde. Of een klassieker herscheppen in een ander werelddeel. Wuthering Heights kreeg een nieuw jasje in Maryse Condé’s La migration des coeurs , geplaatst onder een Antilliaanse hemel. Stukken van Shakespeare worden fijn in een andere cultuur geplaatst. Het nieuwste product komt van Craig Strete, die met een pueblo-Indiaanse versie van Macbeth de Schotse heidevelden doet verhuizen naar de weidse hoogvlakten van een zinderende woestijn, waar de bekende heksen de gedaanten van de elementen aannemen en de bloeddorstige Angelsaksische vorsten veranderen in trotse, strijdende pueblo-stammen. Als Marion Bloem nou eens Romeo and Julia een Indisch jasje geeft, dan kan zij wederom als baanbreker dienen voor onze generatie, maar dan op internationaal niveau. Frans Lopulalan stuurt vervolgens Captain Joro & Moby Dick naar de Banda-eilanden en ik plaats dan wel Der Prozess in een contemporaine Haags-Indische setting. Wij zullen het schijnimago van de literaire repatriant aannemen, in de wetenschap dat ook in de internationale postkoloniale arena ons geen echte gastvrijheid zal worden geboden.
Bronnen:
Grensoverschrijdingen. Siegfried Huigen. Indische Letteren, 14e jrg, nr 2, juni 1999
Postmodernisms: From Fantastic to Magic Realist. Theo D’Haen. In: Bertens, Hans and Douwe Fokkema, eds, International Postmodernism: Theory and Practice, A comparative history of literatures in European Languages Sponsored by the International Comparative Literature Association, Volume 11, Amsterdam/Philadelphia, 1997: John Benjamins B.V.
Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!


