Alfred Birney schrijver, webfreak, gitarist

alfred birney is uit het jaar van de kat

Auteur    Bibliografie    Boeken    Contact    TABs    Sitemap   


Yournael van Cyberney: De boekhouders van de Indische letteren (7) – Uit het ghetto met Jacqueline Bel

Na de bijdragen van haar collega’s is het een verademing om die van Jacqueline Bel te lezen. Er is geen zin die je drie keer terug moet lezen en Bel blijft als enige van het boekhoudersgezelschap het dichtste bij het thema: de afbakening. Waar haar collega’s alinea’s menen te moeten vullen over de complexiteit van de materie, daar ramt Bel maar vast een stevige openingszin uit haar schrijfmachine: Wie een definitie wil geven van Indisch-Nederlandse literatuur komt gegarandeerd in de problemen. Dat klinkt helder en onthoudbaar. Haar bijdrage heet Indische letteren en het ghetto van de Nederlandse literatuur. Een betere titel vind je niet boven de andere bijdragen, al had ik in plaats van ghetto liever kampong zien staan.

Jacqueline Bel onderschrijft zonder omhaal het grote probleem in de verhouding tussen de Indische letteren en de Nederlandse literatuur. De toko van de Indische letteren ligt voor een habbekrats aan maandhuur in het ghetto, een achterafstraatje zonder uitzicht op de Amsterdamse grachten, terwijl het Nederlands Literaire Bastion een nieuwe locatie neemt met uitzicht op het IJ. Is dat erg? Ja, want zolang de Indische letteren in de marge blijft sukkelen, zal er van opname in de canon van de Nederlandse letteren geen sprake zijn. Dat althans schemert door in het betoog van Bel en daarmee is zij de enige van de hele ploeg die het belang onderkent van duidelijke stellingnames. Want alleen die vestigen de aandacht van de grootboekhouders. Om gekruidenier wordt toch gewoon gelachen, zelfs in Nederland.

Zonder de naam van Olf Praamstra te noemen, merkt Bel op dat de purist die alle Indische literatuur voor 1800 en na 1945 buiten beschouwing laat de boel te veel inperkt. En wie de pre- en postkoloniale perioden er wel bij betrekt, vervolgt Bel, lijkt weer anachronistisch bezig. Bert Paasman zou dus anachronistisch bezig zijn? Hier laat Bel de lezer voorlopig even raden naar haar bedoelingen, door te schrijven dat het zo lijkt.

Ze onderkent dat definities noodzakelijk zijn voor de algemene discussie maar dat te strakke definities ‘ghettovorming’ bevorderen. Een tolerante omschrijving van het begrip Indisch-Nederlandse literatuur lijkt haar het meest houdbaar. Dat hebben we vaker gehoord en hiermee wijkt ze nauwelijks af van de anderen, minus einzelgänger Praamstra. Bel memoreert nog maar even dat de Indische literatuur niet in de Nederlandse literatuurgeschiedenis terecht is gekomen en geeft als voorbeelden de grote handboeken van Knuvelder en Anbeek. Het is maar dat u het weet, ja. Ik meen me te herinneren dat Anbeek zelfs Hella Haasse uit zijn boek heeft gelaten, nou als de grote lieveling van het totokpubliek er al niet in staat, dan kan de rest het ook wel vergeten.

Bel brengt de weg in kaart die de Indische literatuur een eigen geschiedenis heeft gegeven. Die begint bij Broms Java in onze kunst (1931) en ontwikkelt zich via Du perron verder naar Rob Nieuwenhuys’ Oost-Indische Spiegel. Brom beoogde met dat boek trouwens geen literatuurgeschiedenis, Du Perron leefde te kort om zich er verder nog tegenaan te bemoeien en Nieuwenhuys had zijn boek eigenlijk helemaal niet als standaardwerk bedoeld, maar goed, Bel laat zien dat Nieuwenhuys niet zomaar uit de lucht is komen vallen. Het tijdschrift Indische Letteren is nu het voorlopige eindpunt, als we Beekman even vergeten.

Bel merkt ook nog fijntjes op dat de Indische literatuur weliswaar een marginaal imago heeft, maar dat zonder deze tak veel Indische boeken gewoonweg buiten beschouwing zou zijn gebleven en geheel zouden zijn vergeten. Hier raakt zij aan de botsing tussen de literaire opvattingen in de Indische toko en het Hollandse bastion. Alles bijeengenomen kun je rustig stellen dat de Indische literatuur bestaat door onverschilligheid bij de geleerden die wel even zullen uitmaken wat er onder schone letteren moet worden verstaan en wat niet. En ook dan stuit je op een consensus die leunt op een Hollandse dijk, waar de mist het zicht op de Overzeesche Gebiedsdeelen belemmert.

Net als Siegfried Huigen gaat ook Bel in op Edward Saids interpretaties en neemt als (bekend) voorbeeld Jane Austens Mansfield Park (1814). Het boek gaat over Engelse mensen, speelt zich uitsluitend af in Engeland en níet in de koloniën. Said noemt het boek niettemin koloniaal omdat de rijkdommen van de familie slechts in stand kunnen worden gehouden door de plantages die de familie heeft in de West. Verwijzingen naar die plantages zijn vrijwel niet te vinden in de roman, maar omdat Said juist de invalshoek kiest vanuit die enkele verwijzing die hier en daar opduikt, krijgt deze niet-koloniale roman opeens de classificatie van een koloniale roman.

Contrapuncties kun je in elke tekst zoeken. Boeken van bijvoorbeeld Bordewijk worden door iemand als Henk Maier als Indische roman aangeduid met de leestechniek die Said zoveel wetenschappers voor zich heeft doen winnen. Maar ja, op die manier kun je hele bakken met Nederlandse boeken als Indisch bestempelen. Jacqueline Bel geeft toe dat deze manier van lezen geen praktische bijdrage levert aan de afbakening van de Indische literatuur. Maar… de Indische literatuur kan door deze benadering uit de marginaliteit worden gehaald, zegt ze.

Een nieuwe leeshouding als poort naar de Indische literatuur. Dat lijkt me een utopie, maar de gedachte is interessant, in elk geval optimistisch. Er ademt ook wel een verlangen naar literaire integratie, zeg maar naar zoiets als de Nederlandstalige letteren.

Bel gaat als enige uitvoerig in op de literatuur van de Indische Nederlanders en komt met een opvallende afwijkende definitie op de proppen van wat Indisch-Nederlandse literatuur zou kunnen zijn: literatuur geschreven door Indische mensen. Kijk eens aan, wat een lef. Maar ze stuit al direct op een probleem: wie is Indisch? Want daarover lopen de meningen nogal uiteen, er wordt wat over afgezanikt, is het niet tussen de eerste en tweede en derde generaties, dan toch tussen blanke, lichtbruine en donkerbruine Indo’s. Als je doorgaat met etiketteren, dan blijven er uiteindelijk individuen over. Maar zo werkt dat helaas niet.

Indo’s hebben een ingewikkelde geschiedenis, vervolgt Bel. Zij zijn erfelijk verbonden met zowel de kolonisator als de Indonesiër en vormen dus een groep met een eigen identiteit. Dat op zich zou al een reden kunnen zijn om voor deze groep met een eigen literatuurgeschiedenis te komen, een standpunt dat al eerder door Edy Seriese is geopperd en door Bel wordt geciteerd. Bell zag dit idee ook doorschemeren in mijn bloemlezing Oost-Indische inkt.

Uit een nawoord van Liesbeth Dolk in het themanummer van Indische Letteren blijkt dat Jacqueline Bel het in kaart brengen van een literaire Indo-tak nog niet had geopperd of er kwam al een verontwaardigde reactie uit de zaal. Nou komt er eindelijk eens een wetenschapper met een werkbaar idee aandragen en ze wordt uitgefloten. Tja, dat krijg je als je weigert je te hullen in wetenschappelijke nevelen. Maar, moet Bel geantwoord hebben: een studie van de Indische literatuur vanuit dit perspectief zou een interessante, nieuwe bijdrage kunnen leveren.

Dat dacht ik ook.

Zonder direct persoonlijk stelling te nemen geeft Bell te kennen dat het hele complex teksten van prekoloniaal via koloniaal naar postkoloniaal het beste op zo veel mogelijk manieren moet worden bestudeerd. Hoe strakker de vraagstelling per deelonderzoek, hoe interessanter de resultaten. Een eigen invulling geeft Bel dus niet, ze wekt op de een of andere manier de indruk ietwat orakelend boven de materie te zweven.

Jacqueline Bels bijdrage is wellicht het meest optimistisch. Ze ziet, lijkt het wel, aankomen dat de boel zich gaat opsplitsen. Misschien bedoelt ze dát met haar opmerking dat het een anachronisme lijkt om de prekoloniale en postkoloniale perioden bij de koloniale periode te betrekken. Maar in het opdienen van die perioden zit niets anachronistisch, zeker niet met het nagerecht van de postkoloniale periode, want alleen de huidige Indische generaties die nu nog schrijven houden alles uiteindelijk nog levendig. Wordt er niets meer geschreven door Bloem, Ruebsamen, Van Dis of Lopulalan, om maar enkele schrijvers te noemen die enorm van elkaar verschillen, dan kunnen we wel een mausoleum inrichten voor de Indische letteren.

Door de Indisch-Nederlandse literatuur telkens in een andere context te plaatsen kunnen er telkens andere aspecten van die literatuur belicht worden. Zo blijft ze levend, zal ze niet gemarginaliseerd worden en kan ze niet meer buiten het ‘officiële verhaal’ worden gehouden , aldus Bel, die misschien ook wel beter wil wonen dan in haar ghetto. Opname van desnoods delen uit de Indische literatuur in de canon van de Nederlandse letteren kan broodnodig zijn. Maar misschien worden juist die hele Nederlandse letteren onderhand wel marginaal terwijl de Indische letteren op de multiculturele golven aansluiting vinden op het volgens Huigen zo belangwekkende internationale podium. Welaan, met de leestechniek van Edward Said zouden veel Nederlandse boeken inderdaad als koloniaal kunnen worden aangemerkt en zelfs op die manier aan de vergetelheid kunnen ontsnappen. Je zou bijna gaan denken dat het Nederlandse bastion die Indische toko nog gaat nodig hebben. Te laat natuurlijk, als het Nederlandstalige koopvaardijschip al zinkende is, de Amerikanen de Amsterdamse grachtengordel hebben bezet en de cirkel vanaf de VOC-tijd dan echt is gesloten.

Bron:

Indische letteren en het ghetto van de Nederlandse literatuur. Jacqueline Bel. Indische Letteren, veertiende jrg, nr 2, juni 1999

* * *

alfred birney yournael van cyberney Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!