Yournael van Cyberney: Japanse oogst
De viering van 400 jaar Japans-Nederlandse betrekkingen is nog niet voorbij of Adriaan van Dis heeft zijn reisverslag al in de winkel. Zou hij zijn teksten van Tokio snel hebben doorgefaxt naar Amsterdam? Nou ja, wie op een eerlijke manier zijn geld wil verdienen, die mag dat. Zo heeft roem zijn voordelen. Je kunt ongestraft in hoog tempo de onbenulligste troep op de markt smijten, de lezers vreten het toch wel, vooral wanneer je met een hot issue komt. Een nadeel is dat zulke boeken niet meteen daarna de hoogovens ingaan, maar op de boekenlijsten van scholen en universiteiten terechtkomen, waar ze tot in lengte van jaren het voetnotenapparaat van brandstof blijven voorzien.
Iemand zegt dat iets goed is. Een tweede zegt hetzelfde tegen een volgende, een derde herhaalt het en als dat een poosje zo doorgaat, dan denkt iedereen dat je, om even iets te noemen, voor echt Indisch eten naar Restaurant Bogor in Den Haag moet gaan, zoals de moeder van Van Dis doet. Een beetje Indo wil gewoon ergens nasi goreng kunnen eten. Nou, die lui van Bogor maken een hoop tamtam over hun saté kambing of vis in pisangblad, maar nasi bakken ho maar. Adriaan van Dis ging er dus met zijn moeder eten, om nog even zijn tekst door te spreken die hij had geschreven ter voorbereiding van zijn bezoek aan Japan. Later in het boek zal er door zoonlief heel wat worden afgebogen. Hatelijk uiteraard. Zeker om zijn moeder en haar generatiegenoten te behagen.
Het zit zo: een familielid van Van Dis is door de Japanners om zeep geholpen en dat heeft hij zijn hele jeugd te horen gekregen. Van mijn eigen familie zijn er acht door de Japanners om zeep geholpen, maar daar zeik ik niet over. Hoe zit het met de overlevenden? Mijn tante Ella die bestond het toch maar om verliefd te worden op een Japanse officier. En ze baarde nog een kind van die Japanner ook, terwijl deze officier ergens op een pasar in het maandonker werd getjingtjengd door boze Indonesiërs, of Indo’s, of Belanda’s, of Totoks, of Chinezen – wie zal het zeggen. Het kind van deze Jap is mijn nicht, een Indo-Jap of een Japindo of hoe men zulke kinderen ook mag noemen. Tja, shame and scandal in the Indo-family. De Indische geschiedenis is geweldig gevarieerd, en vooral schrijvers wie die geschiedenis niet werkelijk interesseert kunnen daar al 100 jaar over meepraten. En hoe.
In zijn haastwerkje ‘Op oorlogspad in Japan’ beschrijft Van Dis wat Japan, Japans, Jap en Japanner betekenden bij hem thuis, toen hij nog een kleine jongen was. Hij vertelt onder meer hoe geweldig jaloers hij kon zijn op zijn Indische zusjes, omdat zij konden tellen in het Japans. ‘Bovendien waren ze bruin’. Hij zegt ook dat hij niet tot de Indische gemeenschap behoort, omdat hij niet, zoals zijn zusjes, ruim drie jaar van zijn jeugd achter matten en hekken heeft moeten doorbrengen. En: ‘Ik behoor maar voor de helft tot de zogenoemde “tweede generatie”.
Moet je in het kamp hebben gezeten om bij de Indische Gemeenschap te horen? Behoor je maar voor de helft tot de Tweede Generatie als je toevallig bruine zusjes hebt die van een andere vader zijn? Leg dat maar even uit, om te beginnen.
En dat moet dan naar Japan om er namens de slachtoffers van de Japanse bezetting te spreken. Daar heeft Van Dis het uiteraard moeilijk mee, hij zal zijn beperkingen ongetwijfeld kennen. Niet getreurd Adriaan, je bent de enige niet, maar om nou steeds weer op dat ironische toontje te blijven leunen is wel erg vrijblijvend. Moet je toch nog maar even gaan kijken bij je voorbeelden Couperus en Kawabata, over wie je zo de loftrompet blaast.
Want dat doet ie, Adriaan van Dis. Naast zijn levende collega’s, die hem deels op zijn Japanse tocht vergezellen (F. Springer, Arnon Grunberg en Ian Buruma), zijn dat de enige schrijvers naar wie hij veelvuldig verwijst. Couperus wordt opgevoerd als een van Neerlands grootste schrijvers en ‘een meesterlijk portrettist van de veranderende wereld rond 1900.’ Nou, dat hij een van grootste schrijvers was die ons land ooit voortbracht, is niet zo moeilijk te beweren. Wat Van Dis met zijn toevoeging bedoelt, is mij evenwel niet helemaal duidelijk. De wereld verandert constant, en ook weer niet. Hij zal wel hebben gehoord dat het toentertijd in Indië allemaal zo erg veranderde, dat tempo doeloe tempo doelloos werd, om maar even met Roy Piette te spreken. Hij suggereert in elk geval dat Couperus een scherp en gedetailleerd oog had voor Indië en je zou bijna gaan denken dat het volstaat Couperus te lezen als je een beeld van het Indië van rond 1900 wilt krijgen. Kun je toch beter bij Daum terecht, al schrijft die Schilderswijker dan als een krant.
Van Dis geeft als voorbeeld voor Couperus’ kunstenaarsschap diens bundel met een aantal Japanse legenden. Om een beeld te krijgen van Japan volstaat het uiteraard niet van deze legenden kennis te nemen. En ook niet de boeken van Kawabata, van wie bekend is dat hij zich strikt afzijdig hield van politiek. Van Dis verwijst naar deze schrijvers om zijn eigen naieviteit te onderstrepen en dat is meer dan koddig voor iemand die op reis gaat naar Japan om er debatten te gaat voeren over de rol van Japan en Nederland in het voormalige Indië. Zijn gedweep met deze schrijvers geeft een uiterst beperkt referentiekader weer. Dat op zich zij hem vergeven, een schrijver is maar een nar in de immer veranderende wereld. Maar wie een debat moet gaan bijwonen over ‘het beeld van onze expansiedrift in de Nederlandse, Indonesische en Japanse literatuur’, die moest zich schamen voor de onnozelheid waarmee hij de volgende zin noteert: ‘Gelukkig zijn er geleerden uitgenodigd die daar alles van weten.’
Zal wel weer ironisch bedoeld zijn. Lekker veilig, kun je alle kanten mee op.
Twintig bladzijden eerder heeft de schrijver ons dan al laten weten dat hij nauwelijks op de hoogte is van wat er in de koloniale en postkoloniale letteren geschreven wordt: ‘Wat weet ik eigenlijk van die oorlog? Ik ken alleen de verhalen van thuis – de achterafverhalen van na het grote zwijgen; de geschiedenis heb ik nooit willen lezen. Ook geen romans of verhalen die zich in Indië afspeelden. Du Perrons Land van herkomst? Niet gelezen en al die andere Indischgasten ook niet.’
Zijn we blij mee, met zo’n ambassadeur daar in Japan. ‘Het grote zwijgen’. Fijn weer, zo’n cliché. Er is helemaal niet gezwegen. Er is eenvoudig nooit geluisterd. Wat bedoelt ie trouwens met ‘Indischgasten’? Lekker toontje ook: ‘al die Indischgasten.’ Flikker maar op een hoop joh. Is toch allemaal hetzelfde, hè?
Zou Van Dis het hoofdstuk over Indië en daarna voor zichzelf willen reserveren in de toekomstige beschrijving van onze geleerden over de Nederlandstalige letteren? Hij is aardig op weg. Voor een lezer in Tokio is er weinig anders uit de hedendaagse literatuur te lezen dan een boek van Adriaan van Dis of F. Springer wanneer het over Indië gaat. Precies zoals Van Dis zelf ook weinig verder kijkt dan de Couperusstraat en het Kawabataplein wanneer het over het Verre Oosten gaat.
Van Dis is wel zo handig om een psychologische wending aan zijn leesluiheid te geven: ‘Alsof ik het me nooit toestond naar een andere stem dan die van mijn vader te luisteren.’ Tja, dat ís een excuus. Maar niet voor iemand die als een belangrijk schrijver wordt voorgesteld aan het Japanse publiek. Van Dis was al zo handig zichzelf als een ‘minder opgepoetste spreker’ voor te stellen in het voorwoord van zijn boek. Adriaan op schoolreis naar Japan, zo ongeveer moeten we zijn nieuwe boek lezen.
Zo, als ‘minder opgepoetste spreker’, met al zijn lichtvoetigheid, representeerde Adriaan van Dis ‘ons land’ op de boekenbeurs in Tokio, april 2000. Het was te verwachten met zo’n man. Dat krijg je als alleen celibrities als afgevaardigden de aardbol over worden gestuurd om als clown aan de debattafel plaats te laten nemen. Alweer wordt er gedaan alsof de oorlog in Indië alleen maar een zaak was van Japanners, Hollanders en Indonesiërs. Van Dis, met zijn onzichtbare Indische zusjes, staat aan de zijlijn. Hij is een toeschouwer, hij hoort nergens bij en is daar diep in zijn hart ook wel blij om. Alleen zij die nergens bijhoren kunnen grote schrijvers worden, nietwaar? Maar daar is toch wel wat meer voor nodig dan je lezers vertellen welke kleur schoenen je vandaag weer zal dragen, het motief van de Japanse beleefdheidsbuiging ad infinitum herhalen en steeds weer roepen hoe zeer je naar een gebakje verlangt als het je emotioneel allemaal te veel wordt. Het CPNB zal hem wel een uitnodiging sturen voor het schrijven van het boekenweekgeschenk, tegen de tijd dat Hella Haasse niet meer onder ons is. Of Rushdie, maar daar wil ik vanaf wezen.
Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!


