Doch er is een drawback

Wie in zijn familiegeschiedenis duikt, komt vroeg of laat wel ergens een wapenschild of beroemdheid tegen. Op een dag keek ik terug op wat ik geschreven had en welke familieleden model in mijn romans hadden gestaan. Dat waren mijn vader en mijn grootmoeder. Er restte nog één figuur die ik moest ontdekken langs de Indische lijn in mijn familie: mijn overgrootmoeder. Onderzoek plegen hoefde niet, gegevens over haar werden me mettertijd ongevraagd aangereikt door historici en literatuurwetenschappers die mijn schrijverspad kruisten en verdwenen ongelezen in mijn lade. Die hoefde ik slechts open te trekken toen ik aan een novelle begon te werken en haar – dit klinkt oneerbiedig – als bijfiguur nodig had.

Rabina heette ze, geboren ergens op Oost-Java, zonder achternaam. Niet direct iemand die je in de negentiende eeuw ergens in Overijssel zou tegenkomen, dacht ik. En zo dachten indertijd Anne Busken Huet en Sophie Potgieter ook. Anne was de vrouw van de schrijver, criticus en journalist Conrad Busken Huet, die zijn heil in Batavia was gaan zoeken. Sophie was de zuster van E. J. Potgieter, mede oprichter van het tijdschrift waar u nu in leest: De Gids.

Wie een beetje thuis is in de Indische bellettrie, weet dat schandalen bij voorkeur in de kolonie werden gesitueerd en dat de beschaving begon en eindigde in Nederland. Je ziet het in de werken van Couperus en Multatuli, maar de echte liefhebber haalt zijn informatie uit de boeken van niet gecanoniseerde schrijvers.

De naam Dé-lilah zal alleen de ingewijde iets zeggen. Haar verbeelde werkelijkheid van onverschillig Hollanders, Chinezen of Indo’s was meedogenlozer dan die van haar voorgangers, al dweepte zij als Indo-Europees kind van haar tijd enorm met het beeld van ‘de aristocratische westerling’. Dit zal haar literaire positie in de ogen van diezelfde westerling ironischerwijs wel hebben verzwakt, als er al een kans was dat de smaakmakers van de Nederlandstalige literatuur haar boeken opensloegen.

Dé-lilah geboortejaar wordt door haar ontdekker Joop van den Berg rond 1850 geschat. Zekerheid over haar ware naam is er niet. Maar ze heeft tenminste een pseudoniem én een hilarische wijze van zichzelf aan de lezer voorstellen.

In het verhaal Een zuinige huisvrouw uit de bundel Een Indisch dozijntje (1898) gaat ze met haar vriendin naar de markt, een verschrikkelijke onderneming voor iemand zo ongeschikt voor het huishouden als Dé-lilah. Het verhaal is in zoverre interessant, dat de schrijfster een coming out inlast, tamelijk uniek voor die tijd:

Hanna, mijne vriendin is een aardig indisch vrouwtje, precies zooals ik, dat wil zeggen, dat ik ook een indiesche ben, of ik aardig ben daarover zullen we maar zwijgen.

Deze zin luidt een boosaardige scène in, die zich later op de markt afspeelt:

Vol afschuw sloegen we een ander paadje in, dat nog voller was dan al de andere wegen. Ik ergerde me vreeselijk. Ik was al uit mijn humeur over hetgeen ik gezien had en nu overkwam mij weêr de ergernis, als een pilaar vastgemetseld te moeten blijven staan en me niet te kunnen bewegen door deze foule van menschen. En wat voor menschen? Armoedige, vuile, magere inlanders, menschen met huid- en andere ziekten, vrouwen met ongekamde haren en natuurlijk het noodige gezelschap bij zich, of met een enkele sarong aan, met ontbloot bovenlijf; mannen, vuil en verwilderd, waaronder echte galgentronies.

Ik werkte geducht met mijn ellebogen, maar ’t hielp niet veel. Daar staat een Soendanees naast me met een rits, nog levende, spartelende goudvischjes aan een touwtje, en ik merk tot mijn ontzetting, dat hij dat zoodje tegen het aardbeien satijn mijner kabaija houdt en dat daar een leelijke vies ruikende vlek op gekomen is.

In mijn boosheid stoot ik met de punt van mijn parasol in zijn ribbenkast. Het schijnt aangekomen te zijn, want de kerel valt achterover, precies op een oude vrouw, die zwarte boeboer ketan verkoopt en hij trapt met zijn eene voet in de pan kokende toeboer. De vrouw schreeuwt en scheldt vreeselijk, maar de consternatie wordt nog grooter, wanneer diezelfde man, die van pijn brult, al strompelende terecht komt in een hoop katjang. Gelukkig is er nu ruimte gekomen en kan ik verder gaan…

Dé-lilah is waarschijnlijk de allereerste overduidelijke Indo-Europese vrouw die zich aan verhalend proza wijdde. Ze kende het plantersmilieu goed, vooral in de uithoek Deli (Dé-lilah) aan de Oostkust in het Noorden van Sumatra, dat indertijd als een staat in een staat functioneerde. Daar gaf de zogenaamde ‘Koelie-ordonnantie’ planters de vrijheid hun arbeiders naar eigen goeddunken te berechtigen. Een dergelijke bizarre autocratische samenleving kende men op Java niet.

Als verhalen voor kinderen bij sprookjes beginnen, waarom dan niet verhalen voor volwassenen bij driestuiverromans. Dé-lilah schreef pulpfictie van hoge kwaliteit, boeken die helaas vrijwel niet meer te vinden zijn. In haar plantersroman Hans Tongka’s carrière (1898), een Indische soap superieur, is álles maar dan ook álles te vinden over vrouwenlevens in de kolonie, door alle rangen en standen heen, met diverse Europese en Aziatische nationaliteiten. Je bent als lezer onder meer getuige van de gevechten die Aziatische vrouwen moeten leveren om een blanke man te kunnen huwen. En je krijgt te zien dat het de ene vrouw wél en de andere niet lukt.

In Dé-lilah’s tweedelige roman worden twee zogeheten njais opgevoerd, vrouwen die dansen op het koord tussen huishoudster en minnares van een blanke man. De ene heet Kim, de andere Yum. Kim is mooi, opstandig, geraffineerd en boosaardig. Yum is onooglijk, dociel, naïef en goedmoedig.

Kim gaat door voor een Chinese, maar heeft een Javaanse moeder. Dat wordt uitdrukkelijk gesteld, want dat krengerige in Kim moet toch érgens vandaan komen. Dé-lilah is met haar Indo-Europese achtergrond in haar etnische typeringen veel preciezer dan veel van haar zogeheten ‘volbloed’ Nederlandse collega-schrijvers, wat een gevolg is van een groter etnisch bewustzijn bij Indo-Europese schrijvers. Iemand met een gemengde achtergrond is eerder, en niet zelden sociaal gedwongen, met zijn of haar afkomst bezig. Dat is het raciale oog, wat heel iets anders is dan de racistische blik.

Yum is een volle Chinese, maar het wordt nergens duidelijk of zij in Nederlands-Indië geboren is, of als immigrante direct afkomstig is uit China. Kim en Yum moeten een jaar of twintig zijn wanneer Dé-lilah een rond 1885 gesitueerde historische scène beschrijft, waarin twee Chinese losarbeiders (koelies) zonder enige vorm van proces worden opgehangen (dat was mogelijk in het toenmalige Deli). Mijn overgrootmoeder Rabina is dan tweemaal zo oud en heeft dan al de status bereikt waar Kim en Yum zo naar smachten: een huwelijk met een blanke man.

De dekselse Dé-lilah, met haar enorme, sardonische talent voor soap, gekoppeld aan een cynische, parodiërende blik op het Nederlands-Indische leven, wil wel zo goed zijn om aan het einde van haar boek de onooglijke Yum met een Hollander te laten trouwen. Maar dan wél in Deli, ver van het beschaafde Europa vandaan. Met de mooie, vol streken zittende Kim loopt het slechter af: ze sterft.

Een huwelijk met een blanke man, inclusief een villa ergens in de Nederlandse provincie, is in Dé-lilah’s roman slechts weggelegd voor blanke Hollandse vrouwen. Dat op zich is niets bijzonders in de Indische bellettrie. En daarom is het verhaal van mijn overgrootmoeder Rabina zo bijzonder. Zij was immers een Javaanse. Toch trouwde ze met een blanke man en ging zelfs met hem mee naar Nederland. Er is nog nooit een kenner van de Indische literatuur geweest die mij een boek kon wijzen waarin zo’n verhaal verteld wordt. Verbintenissen tussen Javaanse vrouwen en blanke mannen spelen zich in de Indische bellettrie altijd af op het scandaleuze Java. Indo-Europese vrouwen kwamen wél met hun blanke mannen naar Nederland, maar dat is een ander verhaal, vaak genoeg verteld ook.

Gelukkig hebben we de brief nog als lapmiddel tussen fictie en non-fictie. Rabina bracht de dames Anne Busken Huet en Sophie Potgieter in elk geval voldoende gesprekstof, waaraan een ‘geheime’ brief voorafging. Maar hoe kwam het dat deze dames uit literaire kringen zich verlaagden om ook maar met één woord te reppen over zo’n eenvoudige vrouw uit Oost-Java? Om antwoord te geven op de vraag hoe Rabina in Europese kringen verzeild was geraakt, moet ik terug naar de 12e oktober 1852, toen mijn overgrootvader George Birnie uitzeilde richting Nederlands-Indië, via Kaap de Goede Hoop.

George Birnie’s eigen overgrootvader was halverwege de achttiende eeuw via een Schots regiment in Nederland aan komen waaien en het leger ontvlucht door een Nederlands meisje te huwen. Hun enige zoon was een ondernemende geest, nam in Deventer een dweilenfabriek over van een Zwitser en breidde die uit met de productie van tapijten, zeildoek en andere ‘nuttige bekleding’. Ook hij huwde een Nederlands meisje, Aleida, bij wie hij drie zonen verwekte.

De eerstgeborene Gerhard David kwam bij zijn vader in de Deventer fabriek te werken. Op een dag vroeg de raadspensionaris Rutger Jan Schimmelpennick hem zijn Smyrnatapijt te repareren. Moeder Aleida is toen net zo lang op het tapijt gaan zitten puzzelen tot ze de manier van knopen had gevonden. Naar haar bevindingen construeerde de jonge Gerhard David een getouw en ontwikkelde een product dat onder de naam ‘Deventer handgeknoopt tapijt’ de wereld zou gaan veroveren. Hij legde zich toe op het ontwerpen van tapijten, maar kwam te sterven toen hij pas 20 was.

De jongste zoon, Johan Willem, zou na het overlijden van de vader in 1830 de fabriek voortzetten. Eén van zijn eerste daden was het dagloon niet meer op de zaterdag maar op de donderdag uit te betalen, één dag voor de belangrijkste marktdag. De arbeiders konden nu niet meer direct de kroeg in duiken en na een weekendje doorzakken de maandag verstek laten gaan, zodat er na de dinsdag geen geld meer was om vrouw en kinderen te eten te geven. Ook begon hij met het heffen van premie, waarmee ziekte- en begrafeniskosten konden worden betaald. Verder werden sterke drank uit de fabriek geweerd, een portier aangesteld en geldboetes geheven op te laat komen, waarvan kleding en brandstof werden gekocht, die weer onder de 300 werklieden werden verloot. Johan Willem spoorde de arbeiders aan om lid te worden van de godsdienstige gemeente waartoe zij behoorden, charterde een verwarmde zaal en een dominee om hen godsdienstonderwijs te laten volgen en stelde, in de Schotse traditie, de zaal tevens ter beschikking aan leden van andere ‘gezindheden’.

Al deze maatregelen brachten een redelijke orde in de fabriek, waar allengs minder werd gezopen, gevloekt, geboerd en scheten gelaten en zo geviel het dat onze Johan Willem werd gelauwerd met ridderkruizen, want Koning Willem III was er als de kippen bij om aandelen te kopen toen de fabriek werd omgezet in een maatschappij.

Maar God had de brave man nodig. Hij stuurde in 1848 een donkere wolk uit Schotland naar de Koninklijke Fabriek van Smirnasche & Andere Tapijten en liet hem daar een poosje hangen. Orders bleven uit. Johan Willem kon ze niet meer in de ogen kijken, de werklieden die nog altijd zo braaf zonder de jeneverfles onder de oksel op tijd kwamen en zondags psalmen en gezangen uit de minder schorre strotten lieten komen in het vrome zaaltje met het preekgestoelte, de gasverlichting en de warme oliekachel. De fabriek draaide zo slecht, dat hij deze enigszins opgevoede lui nu niet eens meer regelmatig kon betalen.

De gekwelde Johan Willem, terneergeslagen door de tegenvallende opbrengsten van zijn fabriek, ontvluchtte de stad, stak de grens over naar een plas bij Bentheim in Duitsland en verzoop zich er in het koude water. Ironischerwijs verdween direct daarop de donkere wolk boven de fabriek en begonnen de orders weer binnen te stromen.

Johan Willem liet negen kinderen na, bij twee vrouwen. Onder hen zat mijn overgrootvader George. Hij was 17 en leek geenszins van plan de fabriek voort te zetten, zelfs niet toen de fabriek beter liep dan ooit tevoren. Hij volgde een opleiding aan de bestuursacademie te Delft, zoals indertijd velen deden met oog op een loopbaan in Nederlands-Indië, en was 21 jaar oud toen hij uitzeilde om in de kolonie aan de slag te gaan.

JEMBER, INDONESIA – JUNE 16: A worker walks home past tobacoo plants in the Jember tobacco fields on June 16, 2007 in Jember, Indoensia. Despite Indonesia’s troubled and struggling economy, the country continues to produce quality tobacco for cigar production throughout the world, which it has done so since late 1700. In Indoensia, a majority of tobacco is harvested in Jember, East Java. PT Ledokombo, the largest exporter of tobacco for cigars in Jember, is responsible for 60% of the export in the region and their tobacco is exported to countries including Cuba, France, Algeria and Spain. (Photo by Kristian Dowling/Kristian Dowling)

Na aankomst op Java trad George in dienst als controleur bij het Binnenlandse Bestuur. Hij had een verloofde in patria, maar liet de vrouw niet overkomen. Omdat de omstandigheden in de binnenlanden te primitief waren voor een Nederlandse vrouw, verbrak hij zelfs zijn verloving. Of was hij getroffen geraakt door de schoonheid van de vrouwen van het land?

Hij klom snel op de bestuursladder en kreeg na enkele goede rapporten het district Djember van de afdeling Bondowoso onder zijn toezicht. Op zekere dag bracht de resident van Besoeki een bezoek aan de koffietuinen van het gouvernement in Birnie’s district. De resident klaagde dat er grote schade was aangericht door de ‘zwarte apen’, die volgens hem te massaal in de schaduw van de bomen zaten. George Birnie schreef die avond in zijn dagboek, dat hij als ambtenaar bij te houden had, dat er sedert het bezoek van den resident geen apen meer in de gouvernementstuinen te zien waren.

Het gouvernement waardeerde de humor niet en stelde overplaatsing voor naar een ander district, mét weliswaar een verhoging van het traktement. George Birnie zag er een straf en verbanning in, nam ontslag en verliet voorgoed de gouvernementsdienst om voor eigen rekening te gaan werken.

Als controleur had George veel visites op plantages afgelegd en gezien dat in Djember de bodem in dialoog met de lucht erboven uiterst geschikt was voor de tabaksplant. Het was er dunbevolkt en de grond was nauwelijks in cultuur gebracht. Aanvraag van gronden was onnodig in die tijd. George ging er aan de slag met twee compagnons, die later werden vervangen door een neef en naamgenoot van zijn vroeggestorven oom Gerhard David. Hij koos eerst de droge velden en liet die door de bevolking beplanten. Allengs liet hij bossen kappen en de grond geschikt maken voor de aanplant, zodat zaadbedden konden worden aangelegd en zaailingen aan de bevolking worden uitgegeven. Na het uitplanten werden de velden in de periode juli tot oktober nauwlettend geïnspecteerd op vervuiling, beschadiging door rupsen en vernieling door mensen. In die periode kreeg het Djemberse vaak regen of zware mist te verduren, als voorloper van de westmoesson. Daarna kon worden geoogst. In de overige maanden kon de bevolking de gronden vrij gebruiken voor het verbouwen van rijst. Betaald werd naar het aantal geslaagde tabaksbomen, wat neerkwam op ongeveer de helft van wat werd geplant.

George pionierde met zijn werkwijze door het invoeren van een tabakscultuur waar anders de bodem onbenut bleef. Maar hoe kreeg hij de bevolking zo ver dat ze voor hem gingen werken? De Javaanse bevolking nam doorgaans niet méér aanplant aan dan strikt noodzakelijk was voor hun levensonderhoud, een gezonde houding zou ik zeggen, tegenover de winsten die de Europese planter voor ogen stond. George had dus te leven met de bevolking en diende hun doen en laten te leren kennen om ze met inachtneming van respect aan het werk te krijgen voor zijn tabak.

Hij leefde onder tamelijk primitieve omstandigheden, liet geen grote administrateurwoning bouwen, zo’n koloniaal paleis met Griekse zuilen dat je op foto’s uit tempo doeloe (= de goede oude tijd) kunt zien, met tuin, oprijlaan, koetshuis en overige bijgebouwen. Zelfs een huis van steen was er nog niet bij. De woning van zijn onderneming was gemaakt van bamboe en gevlochten palmbladeren, zoals de kamponghuisjes van de bevolking.

Soms kwam George van Djember afzakken naar Soerabaja, na enorme verliezen te hebben geleden op de investering in de plantages. Plukkend aan zijn baard kwam hij bij zijn zakenvrienden aan tafel zitten met het voornemen de hele boel te verkopen en zijn fortuin elders te gaan zoeken. Maar na een verfrissing en een peptalk van deze of gene in het bloedhete Soerabaja kwam George dan maar weer eens overeind, wuifde zich koelte toe met zijn hoed en stelde de vendutie nog maar een maand uit.

Toen hij op zekere dag een schare vrouwen en meisjes nodig had voor het werken in de schuur, zag hij dat ze angstig voor hem wegscholen. Wat was er aan de hand?

Een oude Javaanse vrouw maakte gebruik van haar gezag en wees hem beleefd op zijn enorme baard.

Onder de vrouwen die zich voor hem hadden verscholen, bevond zich Rabina, dochter van Pa Grimin en Sayeh, geboren op 18 augustus 1844 te Gambangan, Penaggoengan, afdeling Bondowoso. Rabina moet erg jong zijn geweest, een jaar of zestien, toen de slavernij werd afgeschaft en zij als huishoudster in dienst trad bij het harige spook, dat zijn baard had afgeschoren en was veranderd in een aantrekkelijk gepolijste blanke man.

De tabakscultuur bracht Djember geleidelijk welvaart, er werden karren gekocht, er werd vee aangeschaft en men bouwde degelijker huizen. George liet een familiehuis bouwen, waar hij met Gerhard David en voltallige families in kroop. De neven staken ‘s avonds de koppen bijeen, omdat ‘wilde tabakkers’ in de omgeving neerstreken. Deze concurrenten namen het niet zo nauw met inferieure tabaksplanten, betaalden de koelies hoger en dreven zo de marktprijzen op. George Birnie zag zijn tabaksbedrijf in gevaar komen, liet Gerhard David op de landerijen passen en kocht een huis in Batavia, het centrum waar je moest zijn voor je lobby met het gouvernement, dat zich intussen door middel van wetgevingen met de cultures was gaan bemoeien.

In Batavia resideerde ook Busken Huet, voormalig redacteur van De Gids onder E.J. Potgieter. Busken Huet was na enkele geruchtmakende publicaties uit de redactie van De Gids gestapt, gevolgd door een aan hem loyale Potgieter. Na publicatie van een te erotisch getinte roman had Busken Huet zijn dieptepunt in Nederland bereikt. Hij kwam in 1868 in Batavia aan en werd er journalist voor de Java-Bode. Daar ontwikkelde zich een nieuw schandaal. Zijn reis naar Nederlands-Indië bleek betaald te zijn door de Minister van Koloniën, die hij als tegenprestatie voor de regering in het moederland zou adviseren hoe de Indische pers het beste in toom kon worden gehouden. Toen in 1872 de Java-Bode van eigenaar veranderde, vond Busken Huet het tijd worden om een eigen dagblad te lanceren. Om financiële steun voor zijn krant te verwerven was hij afhankelijk van onder meer bankiers, suikerfabrikanten en rijke, conservatieve planters uit de Oosthoek van Java, die een liberale koloniale politiek schuwden.

Ook George Birnie was gebaat bij het voortbestaan van een behoudende krant en steunde Busken Huet dan ook met geld. In april 1873 verscheen het eerste nummer van het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië. Busken Huet had in Batavia een fraai huis gekocht, waar zijn vrouw Anne de boel bestierde met meer dan tien personeelsleden. De man beschouwde het bezit van de Indische kolonie als zo’n beetje het enige waarom de rest van de wereld Nederland mocht benijden. Maar echt thuis voelen deed hij zich niet in Nederlands-Indië. Van maandag tot en met zaterdag reed hij met zijn koets om zeven uur ’s morgens naar het redactiebureau in de Bataviase benedenstad, om pas tegen zessen weer thuis te komen. De avonden vulde hij met het schrijven van artikelen en feuilletons voor zijn krant, en met lezen. Ook zijn vrouw Anne schreef feuilletons, wellicht als ghostwriter, dat zou moeten worden uitgezocht.

Het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië leek een succesvolle onderneming. Maar volgens Olf Praamstra, de biograaf van Busken Huet, is dat niet waar. Het bewijs hiervoor vond hij in de brieven die Busken Huet schreef aan George Birnie, waarin de literator een heel andere toon aanslaat dan in de brieven die hij aan zijn literaire bondgenoot E. J. Potgieter in Nederland stuurde. De brieven aan George Birnie staan bol van gebedel om geld, compleet met inkomstenstaatjes.

Het aantal abonnees van het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië was te laag om de krant draaiende te houden. Busken Huet zag bovendien geen kans te repatriëren naar Nederland, nu zijn zoon Gideon veertien jaar was en hij het hoognodig achtte dat die beter onderwijs ontving dan in Batavia voorhanden was. George Birnie vond dat deze criticus ook wel een beter lot verdiende dan de rest van zijn leven als journalist in Batavia te moeten slijten. Busken Huet wilde een rol gaan spelen in het politieke leven in Nederland en schreef, voor mij nogal verrassend, dat hij een einde aan de bourgeoisie wilde maken en met de oprichting van een landelijke organisatie van arbeiders een nieuwe stem aan de Nederlandse politiek wilde geven. George Birnie stemde ofwel met die plannen in, of had gewoon met de man te doen. Hij leende hem het geld om zijn schuldeisers af te kopen, zodat Busken Huet zijn zaken in Indië kon liquideren.

Ook George Birnie maakte zich op voor een terugkeer naar Nederland. Nu was het eenvoudiger om met een blanke vrouw terug te keren dan met een Javaanse. Dat spreekt overduidelijk uit een brief van Anne Busken Huet aan de zuster van E. J. Potgieter, kort na diens overlijden op 3 februari 1875. De brief volgt hier integraal.

Batavia, 18 Maart 75.

Lieve Sophie,

Na uw eerste droeve tijding heb ik nog geen nader berigt van u kunnen ontvangen, toch wil den mail, die heden van hier vertrekt, niet laten gaan, zonder een woordje aan u mede te geven. –
Gij kunt u niet voorstellen welk een treurig gevoel het is, nu verder niets van u af te weten, van hoe gij het maakt en wat uwe plannen voor de toekomst zijn. In het lieve oude huis zult gij wel niet blijven, dat zal u te groot zijn, vrees ik. Ik weet dus volstrekt niet meer waar, of hoe, ik u mij voorstellen moet: noch ook hoe veel leed gij hebt gedragen bij het verstoren en wegnemen dier wereld van souvenirs waarin uw lieve doode zijn ganscher grooten geest had afgedrukt, en die ik zóó gaarne nog eenmaal weer in hun geheel had aanschouwd: ach, Sophie, uw broeders heengaan heeft de eenige bekoring welke Holland voor ons had weggenomen; en wij zouden lust hebben er niet weer heen te gaan. Zeg het aan niemand: doch het is zoo. Wie zal Huet met ware hartelijkheid te gemoet komen, buiten die eenige, die alles vergoedde, en die het niet meer doen kan. – Toch zouden wij zoo gaarne met u zamen zijn. Ik wil u daarom van onze plannen vertellen, om te zien, of het mogelijk zijn zou, ze eenigzins met de uwe in overeenstemming te brengen. – Ik zal u dus, in vertrouwen mededeelen, dat Huet, reeds eenige maanden geleden, een zekeren heer Birnie beloofd heeft, voorloopig althans, de wintermaanden met hem in Italië te zullen doorbrengen. Daarna zullen wij waarschijnlijk naar Zwitserland gaan, om Gideon op school te brengen, en ook daar eenigen tijd vertoeven. De reden nu waarom mijnheer Birnie er zoo op gesteld is, ons gezelschap te genieten, zal ik u nader verklaren. Mijnheer Birnie heeft hier zijn fortuin in de tabak gemaakt. Hij bezit eenige tonnen in de wereld, en gaat nu in Europa van zijne renten leven. Tot zoover is alles goed; doch er is een drawback; en wel deze; de man is getrouwd met eene Javaansche vrouw, bij wie hij, ik geloof, 8 kinderen heeft, en die hij, op aanraden zijner familie en ter liefde van zijne kinderen, voor een paar jaar heeft gehuwd. Die vrouw, zij spreekt zelfs niet anders dan maleisch, is volstrekt ongeschikt om een Europeesch huishouden te drijven; zelfs vertrouwt hij haar de opvoeding zijner kinderen niet toe; deze gaan alleen naar eene zijner zusters te Zwolle en gaan daar naar school; alleen de allerkleinsten houdt zij bij zich. Ziehier de ramp van dezen vermogenden, welontwikkelden en zeer interessanten man. Nu heeft hij, – aan wien Huet in zijne zaken veel verpligting heeft, – ons voorgesteld, in zijn gezelschap te reizen en voorloopig met hem zamen te blijven; en wij hebben dit beloofd. Wij kunnen daarvan dus onmogelijk af. – Maar nu is er eene andere vraag. Kunt gij niet bij ons in Italië komen? Voor uwe gezondheid was dat zeker goed. Tegen het einde van October komen wij te Napels aan. Zeg dat gij komt, dan reist Huet u te gemoet. Het zou ons ontzaggelijk veel genoegen doen, indien gij er toe besluiten kondt. Wat hebt gij alleen in het sombere kille Amsterdam? Die vrouw zal ons niet hinderen; zoo iemand is net een groot kind; daarbij heeft zij hare kindertjes, om zich mede bezig te houden, en gaat er waarschijnlijk nog een jufvrouwtje van gezelschap voor haar mede. Ik heb alleen beloofd: haar te protégeren en het oog over haar te houden. – Al hetgeen ik u hiervan zeg, weet niemand anders; het is meneer Birnie’s geheim; en gij moet het stipt voor u houden. – O wat zou ik hierop gaarne een gunstig antwoord van u krijgen; aan eene gewone Hollandsche, Amsterdamsche dame, nog wel, zou ik het niet durven voorstellen; maar aan u, dat is heel wat anders. Het zou zoo goed voor u, en voor ons allen zijn.
En hiermede eindig ik voor dezen keer; vreezende dat mijn brief anders te laat in den bus komt. Dag, lieve Sophie.
Uwe zeer hartelijk liefh.
Anne.

George Birnie en Conrad Busken Huet maken zich op om in september 1875 samen met hun gezinnen naar Europa terug te keren. Om een of andere reden gaat de gezamenlijke reis niet door. De dood van Potgieter snijdt, zoals Anne aan Sophie schrijft, bovendien de laatste fysieke band door die Busken Huet nog met Nederland heeft. De vriendschap tussen George Birnie en Busken Huet is een goeddeels zakelijke en de scheiding van het tweetal is nauwelijks pijnlijk te noemen. Busken Huet komt uiteindelijk in Parijs terecht, waar hij de laatste tien jaar van zijn leven zal slijten.

George Birnie heeft zijn huis in Batavia verkocht, gelegen aan de westkant van het Koningsplein, waar ook de familie Couperus, onder wie de latere schrijver Louis nog als jochie, van 1872 – 1878 woont. Het beheer van de onderneming in Djember wordt aan neef Gerhard David overgedragen en George vertrekt, dus zonder de Busken Huets, met Rabina naar Europa.

Om Rabina aan die andere wereld te laten wennen, trekken ze eerst naar Napels. Ze logeren er een maand of negen in Hotel de Russie aan de Corso Vittoria Emanuela nr. 8. De kinderen zitten, neem ik aan, dan bij hun tantes in Deventer.

‘Zeg Rabina,’ vraagt George op een dag, ‘wil je vanavond niet meegaan naar de Opera?’

‘Opera, opera, watte geven? Faust? Ouwe man met dikke boek (buik). Dank je hartelijk.’

George schreef in één van zijn brieven dat het bijna niet mogelijk is zich straffeloos te onttrekken aan het milieu waarin men geboren is, of waarin men later meer dan een halven menschenleeftijd heeft doorgebracht.

Het liefst was hij vanuit Italië linea recta terug naar Djember gegaan, maar het leek hem onvermijdelijk de familieonderneming vanuit Nederland te moeten gaan leiden. Uiteraard zag hij al voor zich dat hij een probleem zou krijgen met zijn vrouw in Nederland. De vraag waardóór dat probleem kon bestaan, hoeft onderhand niet meer gesteld worden. Racisme is natuurlijk niet langer incidenteel te noemen. Zo veel zijn we de laatste honderd jaar wel opgeschoten.

In de zomer van 1876 krijgt de bijna 32-jarige Rabina eindelijk het moederland van haar man te zien. Aanvankelijk wonen ze in Velp. In 1880 betrekken ze een door George aangekocht familiehuis aan de Brink te Deventer.

Zoals George met zijn baard een opvallende verschijning was in Djember, zo was Rabina dat nu in het Overijsselse. Bij een wandeling op De Brink in Deventer riep een straatjongen naar haar: ‘O, wat ben jij vies!’

‘Ik heb bruine huid,’ antwoordde Rabina, ‘maar heb gewassen. Ik niet vies, jij niet gewassen, jij vies.’

Een dergelijke scène zou niet hebben misstaan in het proza van Dé-lilah. Helaas heb ik zelfs in haar proza, dat 2000 bladzijden telt, geen voorbeeld kunnen vinden van hoe Javaanse vrouwen zich bewogen in burgerkringen in Nederland. En als je het al niet bij de volkomen onterecht vergeten Dé-lilah kunt vinden, dan vind je het waarschijnlijk verder nergens.

* * *
Bronnen:
Joop van den Berg: Dé-lilah, een vergeten schrijfster van ruim 2000 pagina’s Indisch proza. Amsterdam: Uitgeverij De Buitenkant; Uitgelezen boeken, katern voor boekverkopers en boekenkopers, jrg. 6 nr. 2, juni 1996. Of, verkort, in Indische Letteren, 12e jaargang, nummer 2, juni 1997: Dé-lilah, een vergeten schrijfster van ruim 2000 pagina’s Indisch proza.

Elisabeth Birnie. De Birnies. Twello, 1992 (eigen beheer)

J.J.P. de Jong. De waaier van het fortuin. Den Haag, SDU: 1998

Olf Praamstra. Gezond verstand en goede smaak, de kritieken van Conrad Busken Huet. Amstelveen: 1991. Bij het ter perse gaan van dit nummer beschikte ik nog niet over de jongste biografie van Olf Praamstra over Conrad Busken Huet en ik kon dus nog niet nagaan of hij de onderhavige brief van Anne Busken Huet misschien (in zijn geheel) heeft geciteerd, wat overigens het geval is. De brief van Anne Busken Huet ontving ik in 2001 per e-mail van Olf Praamstra, de biograaf van Conrad Busken Huet.

* * *
© Dit artikel verscheen eerder in De Gids van mei 2007

Without a face

My only memory of my grandmother is the one of her grave. My father’s only memory of his grandmother is the one of her funeral. I don’t know what I received from my grandmother by way of heredity. My father doesn’t know what he received from his grandmother, and couldn’t ask her anymore by the time I asked him about it.

Maybe I inherited my grandmother’s moods. My father recalled his mother was moody. He wrote this once in a letter to somebody, a carbon copy of which I later read. Nowadays moodiness is called: sensitivity to moods. Moods are subdivided into depressions, fears, and melancholy. Melancholy is probably the finest among these three moods. Homesickness in a minor key. Maybe my grandmother was homesick for a country she didn’t know, her mother’s country: China. Homesickness handed down from her mother, who was from there. Or inherited from her grandmother, whom she in turn perhaps also hadn’t known.

My father recalled that his grandmother still had those little bound feet. As a Chinese woman she had thus complied with the old Chinese ideal of beauty. My great-grandmother came to the Dutch East Indies from Canton a long time ago, probably with part of her family, because Chinese uncles and aunts wandered around in the stories my father told. Exactly when she came to the Dutch East Indies, I don’t know. She would have been born after 1860, when slavery in the Dutch East Indies was abolished and the Indies had to struggle with a lack of personnel.

The Dutch went to the Mediterranean to scour up guest workers during the sixties of the last century, as they did on the Chinese coasts back then, 100 years earlier. Many guest workers settled in Holland for good, as they did in the Dutch East Indies. There they arrived in rickety little boats, and they were called koelies. I don’t know what she was called, my great-grandmother. She may have had Nio in her name: girl.

My father was about four years old when he lost his grandmother. She must have been slight of build, but in his memory her coffin was big and made of djati-wood and heavy to lift. Under his mother’s supervision, Chinese dishes were prepared and offered to the gods. My father, his two brothers, and two sisters got chalk smeared behind their ears. Those chalk smudges were to protect them from evil spirits at the funeral service.

Who else would have been at the funeral? Did my Chinese great-grandmother leave a husband behind, had he already passed away, or was he living with another, a younger woman meanwhile?

The bier was loaded onto a tjikar, an oxcart. The procession went to the Chinese cemetery in Soerabaja. With Chinese ceremony, the woman with the little feet was consecrated to the earth, flowers were strewn, and the little boy’s mouth watered as he looked at the way the dishes with offerings were being placed around the grave. He escaped the notice of the mourners, and sampled all that deliciousness around his grandmother’s grave. Maybe the gods would be so good as to tolerate a little boy in their midst for a moment?

If they were there, those gods, and if they became wrathful because the little boy had stolen a taste of their foods, then perhaps here lies a clue regarding the bitter fate that later awaited the boy. But I do not believe this. More precisely: hardly. That’s a little more than not. Because you can’t be sure, if they exist or not, those gods, or if they were present at my father’s grandmother’s funeral.

I hope that they were there. That it was the gods who took my father’s fate into their hands. I hope so, because I look for the innocence in people, my family.

As for my great-grandmother on my grandfather’s side, I know her face from photographs. I even know her name: Rabina. According to my father she was Madoerese. According to an aunt of mine, who wrote a private family chronicle, she was East Javanese, the daughter of Pa Grimin and Sayeh. Many East Javanese are of Madoerese origin. Rabina most likely lived somewhere in the Eastern part of Java, when, a decade before slavery was abolished, a young man by the name of George Birnie left Holland and sailed for the Dutch East Indies. He was to bring a portion of East Java under cultivation by planting coffee and tobacco. He married Rabina, pretty exceptional in those days, and Rabina presented him, as that was called, with eight children: Indisch children: Indos. They were sent to the Netherlands to be raised and educated. Later, George also took Rabina to the Netherlands, from where he ran the Birnie empire. There this woman took control of the kitchen in the family home, located somewhere in the basement. God only knows how she felt over there.

In the family chronicle it is written that George passed away in the Netherlands, but it doesn’t state how things ended up for Rabina. The writer only charts the Birnie empire. So I know what the men did. I know that they brought tracts of land under cultivation in the Dutch East Indies. I also know that my great-grandmother Rabina cooked for her husband and children and spoke comically broken Dutch. For the rest I know nothing. Again: how did she feel in the Netherlands? Uprooted? Or did she feel at home anywhere in the world, as long as she was with her husband? I take it that after her husband’s death, Rabina returned to the Dutch East Indies, and that she passed away there. I hope so, because, as the older Indos say, the ground is warmer there.

The fourth of George and Rabina’s children was named Willem, and entered the world in 1868 in Djamber, East Java. This pure-blooded Indo first married his cousin, a woman of another branch of the Birnie family. They had two children. I don’t know how long their marriage lasted. Legally probably their entire lives. But they ended up living apart. That was when Willem met my grandmother, one of the two daughters of the Chinese woman with the little feet. He lived together with her, as my father would say. Others would say: he took her into his house as a maid. Then took her as a consort, a njai , the intriguing Indisch word for concubine.

According to my father she was born in 1893 in Kediri, East Java, and was named Sie Swan Nio, the family name at the beginning. However, the 1925 certificate recognizing him as their child reads: Sie Swan Nio, without profession, residing in Soerabaia, Koninginnelaan 3, according to her admission, thirty-five years of age and unwed. Was the year of her birth 1890, then? It could be that for some reason or other, maybe money, she lied to the notary about her age.

If she is of the year 1890, according to her admission, then she is of the Chinese Year of the Tiger. If she is of the year 1893, then she is of the Chinese Year of the Snake.

There is a big difference between women born in the Year of the Tiger and those born in that of the Snake. Tiger women are born feminists, and therefore the least liked among the old Chinese. Snake women are mysterious and sensual. What is certain is that the date of her birth: July 23, is on the cusp between the zodiac signs of Cancer and Leo in Western astrology. Undoubtedly my father remembered her birthday well later, when he was all alone in the Netherlands, separated from his family for good because he was forced to flee the Indonesians after the war.

Sie Swan Nio already had a previous child, a daughter by a Chinese man. I don’t know if she was ever married to that man. I only know that he was addicted to gambling. Could also have been something my father made up. There is a theory that says that after a divorce, you look for somebody who is like your previous partner, or who at least substantially shares this partner’s traits. My grandmother found another gambler in her second husband.

He, Willem, a privileged descendant of the Birnies’ meanwhile rich and renowned plantation-owners’ empire, had 12 hunting rifles up on the wall according to my father. They say that Indos enjoyed the hunt. They hunted tjellengs, wild pigs. My grandmother definitely would have seen him set off on regular trips into the jungle, to go hunting there. But perhaps his jungle was mostly a mishmash of private addresses, with lovers, and that these were the tjellengs he hunted.

According to my father, Willem owned a steamship, a laundry, and a legal practice. Later, I read in my aunt’s family chronicle that the man had been the enfant terrible of the family, that he dreamed up enterprises with respect to his family, to borrow money from the family funds. A coal mine in Borneo, that kind of thing. Traveling between Holland and the Indies, he always stopped in at the casino in Monaco.

The bon vivant did not walk in his father George’s footsteps, and never recognized the five children he had fathered through her. For this reason she herself had gone to report the birth of my father, a late arrival. According to the certificate, she waited until the last moment to do this, because he was already three months old. The law did not permit a longer period of time. Maybe she tried all that time to move her husband to recognize his son, so that at least her anak mas, her favorite child, could become an heir with the prospect of a privileged future.

Maybe my grandmother was a Tiger and quarreled about legitimizing their last child, and maybe the hunter kept saying that he would think about it but kept on forgetting, a bottle of whiskey at his lips. In the family chronicle it is written that at the end of his life my grandfather was placed under family supervision. He received an allowance of 600 guilders per month and furthermore was not to involve himself in family affairs anymore. When the gambler died, just before the Second World War broke out, he left nothing but debts.

Maybe my grandmother was a Snake and suffered during the regular absence of her man. Maybe he didn’t give her enough money to be able to live decently. I don’t know if they loved each other. If it is the case that he first took her on as a maid, she became his lover afterward. As a lover you could say, or believe, that you were no longer a maid. That you were the wife of a big man, a toean besar, somebody with money, power, and standing.

The toean besar did not have the power to divorce his cousin. This first wife, with whom he had two legal children, refused to divorce, and maybe that had something to do with shares in the family stock. Or did my grandmother feel that his heart had always stayed with his cousin? True intimacy is only possible between two persons, says the I Ching, the Book of Changes, an old legacy of Confucius and his students, my only passport to my Chinese forebears’ thought: Where three are together, jealousy arises, and one of them will have to yield.

My father said that during the war years his mother switched from Confucianism to Christianity. This means: she began to read the Bible, in Malay. Maybe she sought comfort for the sadness that her youngest son caused her with his needless, pro-Dutch, political ideas and particularly with his actions during the war.

When the Japanese invaded the Dutch East Indies, during the first bombing of Soerabaja, half the house was demolished. The family had to find shelter elsewhere in the city. My father’s oldest brother, who had been appointed his guardian, managed to get Chinese identity papers, so the family made it through the war years reasonably well. Thinking pretty much in Indonesian fashion, the entire family clung to Djojobojo’s prediction: that after three years the yellow domination would give way and the Indonesian people would be free. However, my grandmother’s anak mas had lost his father too early, and he had started romanticizing about him, this “real European” Willem, with his Dutch passport. It was now three years after Willem’s death, and he himself had meanwhile turned seventeen. He was neither Chinese, nor Indo, nor Dutch. He walked around with a Chinese brooch pinned to his chest, but at home he hung a portrait of the Dutch queen above his bed. He had acquired a hatred of the Japanese, and for many years would still grieve the loss of twelve enormous Chinese vases during the bombing.

What else did my grandmother do during the war besides read the Bible? She earned her money by preparing ketjap in her back yard. During the Japanese occupation her twin daughters went out to work as serving girls in an establishment catering to Japanese officers. They brought home money, and when my father protested, she said, “Shut up. We have to eat.” When, as a young man in his early twenties, he came home with his first soldier’s pay, ready to hand it to his mother, she said, “I don’t want that money. It’s soaked in blood.”

That story was told to me dozens of times by my mother, a Dutch correspondent of my father’s, introduced to him by a southern Dutch soldier.

The Japanese had capitulated, and the Dutch army tried to grab power over the Indies with what were called Police Actions. The Indonesians did not desire guardianship anymore, took up weapons, and the Indies turned into a chaos that would finally be called Indonesia. My father chose the side of the Dutch-as his late illegal father was after all Dutch-and participated in the First Police Action. He drove over a landmine, and during the Second Police Action had to remain in the barracks.

I got all of this from his memoir, which he wrote at my request some time ago. One day he went home on leave. He was, according to his own writing, in uniform and had his pistol with him. I don’t know if that’s possible, because when on leave, the men had to leave their weapons behind at the barracks. He heard a baby crying, took a peek into the back room, and saw a little child with Japanese features. He took out his pistol, loaded it, and aimed the barrel at the baby. The babus (nannies) wailed, and begged for mercy. He walked away, deeply offended that one of his sisters had had the baby of a Japanese officer, of the enemy.

Where did he go, where did he spend his time? At the barracks? According to his memoir he hung around a lot in the city, where factions were starting to fight one another. He does not write that, or in what manner, one night in the city during that chaotic period, his sister’s boyfriend, the Japanese officer, was murdered.

Later, in the Netherlands, whenever we sat around the coal stove, listening to the war stories that were on his lips every evening, he called his sister Ella a collaborator, a hostess, a Jap-whore. As a young boy I tried fruitlessly to understand what he was always going on about. It was many years later that I started writing her, my aunt Ella. I was to become one of those Second Generation Indos who would take a roots trip to Indonesia. Aside from which, writers need a framework for their stories, as many different voices as possible on the same subject, from different perspectives.

I visited my grandmother’s grave and stayed five weeks at my aunt Ella’s, who was closest to my grandmother because her mother had lived in with her practically until her mother’s death. Now she was living in a new house somewhere in a “corridor,” a street in the Kertajaya, a district in Surabaya. Aunt Ella lived there with her half-Japanese daughter, whom she had called Yosta, after her father, the Japanese officer Yoshida.

Yosta had three children with a Chinese man, a hardworking contractor who came by a couple of times a week, and sometimes stayed over. He had a first wife somewhere in the city. Imitating our grandmother, Yosta was also a consort, a concubine, albeit a Chinese-Buddhist variation.

Yosta’s son, Yongky, had one great desire: to see Japan, the country of his unknown grandfather. His ideal of beauty was the Japanese woman. There was a calendar above his bed of Japanese fashion models. Yosta’s daughter, Lily, had a liking for things Chinese and had a Chinese boyfriend. Every evening she would come home from work chattering busily, and would rattle on about everything she had seen, what she was going to do, what she liked, and what she didn’t like. They said that she resembled my grandmother, Sie Swan Nio. But Lily laughed a lot, and my father said that his mother rarely laughed. My cousin Yosta’s youngest child was a girl and she was called Ervina.

When you list the names in a row, descending by age, you can taste the differences: Yongky, Lily, Ervina. The first carries traces of his unknown Japanese grandfather in his name. The second is a nice name for a modern Chinese girl. The third sounds Indonesian.

I didn’t feel at home out on the street in Indonesia. I did on my aunt’s front veranda. Maybe because the veranda was more reminiscent of my father’s stories about the Dutch East Indies. I spent my evenings there and looked at the tjitjaks on the walls for hours. These lizards were always up in brass on the walls of Indo homes in the Netherlands during the sixties, and maybe still are in the homes of older Indos.

Aunt Ella had her spot in the kitchen where she listened to her wajang-radio play every day and preoccupied herself with light household duties. In the evening she would visit me out on the porch, stand behind me, and always greet me with her pidjit-ing hands on my shoulders and my neck, which was stiffly Dutch in tense anticipation of her stories.

I had to wait for days, for weeks for her story about Yoshida, the Japanese officer who was so hated by my father. The story came to me in two versions. First in my cousin Yosta’s version, after that in my aunt Ella’s version.

Yosta told me, while mopping the floor, about how her unknown father had gone out to get cigarettes one night. Japan had capitulated and the Japanese soldiers were waiting to be repatriated to their homeland. It was Bersiap: some Japanese started fighting side-by-side with the Indonesians against the Dutch, others hid in the warehouses at the harbor or in houses that they had confiscated before, when they invaded the Dutch East Indies. There were also those who hid out at the homes of their girlfriends, like Yoshida.

Most Indonesians left the Japanese alone, but desperados roamed around, including Indos who still had scores to settle with their former adversaries. Yes, like my father. You would have had to be an idiot to be out on the streets by yourself if you were Japanese. This is why Yoshida didn’t go alone, but in the company of his cousin, also an officer. Aunt Ella had waited, but not seen him come back. She had gone out to look, and learned that someone had been found dead on the pasar . His face had been mutilated, he was hardly recognizable at the identifikasie. It was Yoshida’s cousin.

And Yoshida?

Well, he ran away of course. He doesn’t dare go back, you see? Mama still tried to track him down, until long after the war. All the way to Tokyo, you know how far that is, through go-betweens. But she never got to know anything about him. Kasian, a pity for my mother, it is.

Days later, out on the front porch, right before my departure for the Netherlands, my aunt Ella comes over and sits beside me. She doesn’t greet me with her pidjit-fingers, she has something to tell me. First she looks off in silence for a while at the corridor, the street where it is dark, and quiet. Then she lays her old hands in her lap, and tells me that one particular evening Yoshida went out to get cigarettes. It is dangerous outside, and that’s why he goes together with his cousin. It will be the last time that she sees her beloved Yoshida, because they will not come back. Both find their deaths in the marketplace, their faces are mutilated by sharp weapons.

Both of them?

Yes, both of them. After Yoshida, your aunt never had another man. But I have Yosta, and Yoshida lives on in her, and so he is always around me. Lily resembles your grandma, you know she would prefer to go to China. And Jongky, he looks strikingly like his grandfather, that’s why he dreams of a Japanese girl and Japan.

But Yosta told me that only Yoshida’s cousin had been found dead.

Yes, I didn’t tell her everything. Kasian, it would be a pity for her. But she’s asleep now, so I can tell you. You can have a man who isn’t always there, or a lover who leaves you. But who wants a father without a face?

* * *
Notes from the author:

I utilize the old spellling Soerabaja when I am talking about prior to or during the war, and Surabaya when I’m talking about after
Indonesian independence. The spelling of Malay words I present in the classical Dutch spelling, because many of these words enriched Dutch dictionaries in this form. Moreover, my story is Indisch and not Indonesian. This is why I decided against modern Indonesian spelling elsewhere.

King Jojobojo, the “Javanese Nostradamus,” ruled over one of the Hindu realms on Java around 900. The king had two residences: in Daha (unknown) and in Kediri (East Java). One day he received a visit from the Arabic scholar Maulana Ali Samsujin. Jojobojo was impressed by this Moslem’s supernatural gifts, and steeped himself in the science of the occult. It turned out that he, too, possessed prophetic gifts. By means of seven platters of food, Jojobojo predicted seven periods during which seven great realms would succeed one another. Among them were seafaring nations, the Dutch and the Japanese, respectively, who would transform Java into a cesspit of vice. These would finally be driven out, after which the kings of Java would be able to regain the power to rule. As with all true predictions, Jojobojo’s is capable of more than one explanation on various points. Thus the length of the domination by the strange yellow people (the Japanese) was compared with the time corn needs to mature, namely three-and-a-half months. But the faded handwriting in which the prediction is written has become illegible in some places. Was the king referring to “djagoeng” or “djago”? Corn or Rooster? If it was “djago,” rooster, then it would take three-and-a-half years before liberation, because this is how long it takes a rooster to reach its full maturity.

Copyright ©2000, Alfred Birney. Original title: Zonder gezicht. From the collection of stories and essays on the Dutch East Indies Vertrouwd en vreemd. Ontmoetingen tussen Nederland, Indië en Indonesië. A compilation by Esther Captain, Marieke Hellevoort & Marian van der Klein (red.). A publication of Uitgeverij Verloren, Hilversum, The Netherlands, 2000. This biographical story is translated from the Dutch by Wanda Boeke. No reproducing is allowed in any form without written permission from both the author and translator.