Doch er is een drawback

Wie in zijn familiegeschiedenis duikt, komt vroeg of laat wel ergens een wapenschild of beroemdheid tegen. Op een dag keek ik terug op wat ik geschreven had en welke familieleden model in mijn romans hadden gestaan. Dat waren mijn vader en mijn grootmoeder. Er restte nog één figuur die ik moest ontdekken langs de Indische lijn in mijn familie: mijn overgrootmoeder. Onderzoek plegen hoefde niet, gegevens over haar werden me mettertijd ongevraagd aangereikt door historici en literatuurwetenschappers die mijn schrijverspad kruisten en verdwenen ongelezen in mijn lade. Die hoefde ik slechts open te trekken toen ik aan een novelle begon te werken en haar – dit klinkt oneerbiedig – als bijfiguur nodig had.

Rabina heette ze, geboren ergens op Oost-Java, zonder achternaam. Niet direct iemand die je in de negentiende eeuw ergens in Overijssel zou tegenkomen, dacht ik. En zo dachten indertijd Anne Busken Huet en Sophie Potgieter ook. Anne was de vrouw van de schrijver, criticus en journalist Conrad Busken Huet, die zijn heil in Batavia was gaan zoeken. Sophie was de zuster van E. J. Potgieter, mede oprichter van het tijdschrift waar u nu in leest: De Gids.

Wie een beetje thuis is in de Indische bellettrie, weet dat schandalen bij voorkeur in de kolonie werden gesitueerd en dat de beschaving begon en eindigde in Nederland. Je ziet het in de werken van Couperus en Multatuli, maar de echte liefhebber haalt zijn informatie uit de boeken van niet gecanoniseerde schrijvers.

De naam Dé-lilah zal alleen de ingewijde iets zeggen. Haar verbeelde werkelijkheid van onverschillig Hollanders, Chinezen of Indo’s was meedogenlozer dan die van haar voorgangers, al dweepte zij als Indo-Europees kind van haar tijd enorm met het beeld van ‘de aristocratische westerling’. Dit zal haar literaire positie in de ogen van diezelfde westerling ironischerwijs wel hebben verzwakt, als er al een kans was dat de smaakmakers van de Nederlandstalige literatuur haar boeken opensloegen.

Dé-lilah geboortejaar wordt door haar ontdekker Joop van den Berg rond 1850 geschat. Zekerheid over haar ware naam is er niet. Maar ze heeft tenminste een pseudoniem én een hilarische wijze van zichzelf aan de lezer voorstellen.

In het verhaal Een zuinige huisvrouw uit de bundel Een Indisch dozijntje (1898) gaat ze met haar vriendin naar de markt, een verschrikkelijke onderneming voor iemand zo ongeschikt voor het huishouden als Dé-lilah. Het verhaal is in zoverre interessant, dat de schrijfster een coming out inlast, tamelijk uniek voor die tijd:

Hanna, mijne vriendin is een aardig indisch vrouwtje, precies zooals ik, dat wil zeggen, dat ik ook een indiesche ben, of ik aardig ben daarover zullen we maar zwijgen.

Deze zin luidt een boosaardige scène in, die zich later op de markt afspeelt:

Vol afschuw sloegen we een ander paadje in, dat nog voller was dan al de andere wegen. Ik ergerde me vreeselijk. Ik was al uit mijn humeur over hetgeen ik gezien had en nu overkwam mij weêr de ergernis, als een pilaar vastgemetseld te moeten blijven staan en me niet te kunnen bewegen door deze foule van menschen. En wat voor menschen? Armoedige, vuile, magere inlanders, menschen met huid- en andere ziekten, vrouwen met ongekamde haren en natuurlijk het noodige gezelschap bij zich, of met een enkele sarong aan, met ontbloot bovenlijf; mannen, vuil en verwilderd, waaronder echte galgentronies.

Ik werkte geducht met mijn ellebogen, maar ’t hielp niet veel. Daar staat een Soendanees naast me met een rits, nog levende, spartelende goudvischjes aan een touwtje, en ik merk tot mijn ontzetting, dat hij dat zoodje tegen het aardbeien satijn mijner kabaija houdt en dat daar een leelijke vies ruikende vlek op gekomen is.

In mijn boosheid stoot ik met de punt van mijn parasol in zijn ribbenkast. Het schijnt aangekomen te zijn, want de kerel valt achterover, precies op een oude vrouw, die zwarte boeboer ketan verkoopt en hij trapt met zijn eene voet in de pan kokende toeboer. De vrouw schreeuwt en scheldt vreeselijk, maar de consternatie wordt nog grooter, wanneer diezelfde man, die van pijn brult, al strompelende terecht komt in een hoop katjang. Gelukkig is er nu ruimte gekomen en kan ik verder gaan…

Dé-lilah is waarschijnlijk de allereerste overduidelijke Indo-Europese vrouw die zich aan verhalend proza wijdde. Ze kende het plantersmilieu goed, vooral in de uithoek Deli (Dé-lilah) aan de Oostkust in het Noorden van Sumatra, dat indertijd als een staat in een staat functioneerde. Daar gaf de zogenaamde ‘Koelie-ordonnantie’ planters de vrijheid hun arbeiders naar eigen goeddunken te berechtigen. Een dergelijke bizarre autocratische samenleving kende men op Java niet.

Als verhalen voor kinderen bij sprookjes beginnen, waarom dan niet verhalen voor volwassenen bij driestuiverromans. Dé-lilah schreef pulpfictie van hoge kwaliteit, boeken die helaas vrijwel niet meer te vinden zijn. In haar plantersroman Hans Tongka’s carrière (1898), een Indische soap superieur, is álles maar dan ook álles te vinden over vrouwenlevens in de kolonie, door alle rangen en standen heen, met diverse Europese en Aziatische nationaliteiten. Je bent als lezer onder meer getuige van de gevechten die Aziatische vrouwen moeten leveren om een blanke man te kunnen huwen. En je krijgt te zien dat het de ene vrouw wél en de andere niet lukt.

In Dé-lilah’s tweedelige roman worden twee zogeheten njais opgevoerd, vrouwen die dansen op het koord tussen huishoudster en minnares van een blanke man. De ene heet Kim, de andere Yum. Kim is mooi, opstandig, geraffineerd en boosaardig. Yum is onooglijk, dociel, naïef en goedmoedig.

Kim gaat door voor een Chinese, maar heeft een Javaanse moeder. Dat wordt uitdrukkelijk gesteld, want dat krengerige in Kim moet toch érgens vandaan komen. Dé-lilah is met haar Indo-Europese achtergrond in haar etnische typeringen veel preciezer dan veel van haar zogeheten ‘volbloed’ Nederlandse collega-schrijvers, wat een gevolg is van een groter etnisch bewustzijn bij Indo-Europese schrijvers. Iemand met een gemengde achtergrond is eerder, en niet zelden sociaal gedwongen, met zijn of haar afkomst bezig. Dat is het raciale oog, wat heel iets anders is dan de racistische blik.

Yum is een volle Chinese, maar het wordt nergens duidelijk of zij in Nederlands-Indië geboren is, of als immigrante direct afkomstig is uit China. Kim en Yum moeten een jaar of twintig zijn wanneer Dé-lilah een rond 1885 gesitueerde historische scène beschrijft, waarin twee Chinese losarbeiders (koelies) zonder enige vorm van proces worden opgehangen (dat was mogelijk in het toenmalige Deli). Mijn overgrootmoeder Rabina is dan tweemaal zo oud en heeft dan al de status bereikt waar Kim en Yum zo naar smachten: een huwelijk met een blanke man.

De dekselse Dé-lilah, met haar enorme, sardonische talent voor soap, gekoppeld aan een cynische, parodiërende blik op het Nederlands-Indische leven, wil wel zo goed zijn om aan het einde van haar boek de onooglijke Yum met een Hollander te laten trouwen. Maar dan wél in Deli, ver van het beschaafde Europa vandaan. Met de mooie, vol streken zittende Kim loopt het slechter af: ze sterft.

Een huwelijk met een blanke man, inclusief een villa ergens in de Nederlandse provincie, is in Dé-lilah’s roman slechts weggelegd voor blanke Hollandse vrouwen. Dat op zich is niets bijzonders in de Indische bellettrie. En daarom is het verhaal van mijn overgrootmoeder Rabina zo bijzonder. Zij was immers een Javaanse. Toch trouwde ze met een blanke man en ging zelfs met hem mee naar Nederland. Er is nog nooit een kenner van de Indische literatuur geweest die mij een boek kon wijzen waarin zo’n verhaal verteld wordt. Verbintenissen tussen Javaanse vrouwen en blanke mannen spelen zich in de Indische bellettrie altijd af op het scandaleuze Java. Indo-Europese vrouwen kwamen wél met hun blanke mannen naar Nederland, maar dat is een ander verhaal, vaak genoeg verteld ook.

Gelukkig hebben we de brief nog als lapmiddel tussen fictie en non-fictie. Rabina bracht de dames Anne Busken Huet en Sophie Potgieter in elk geval voldoende gesprekstof, waaraan een ‘geheime’ brief voorafging. Maar hoe kwam het dat deze dames uit literaire kringen zich verlaagden om ook maar met één woord te reppen over zo’n eenvoudige vrouw uit Oost-Java? Om antwoord te geven op de vraag hoe Rabina in Europese kringen verzeild was geraakt, moet ik terug naar de 12e oktober 1852, toen mijn overgrootvader George Birnie uitzeilde richting Nederlands-Indië, via Kaap de Goede Hoop.

George Birnie’s eigen overgrootvader was halverwege de achttiende eeuw via een Schots regiment in Nederland aan komen waaien en het leger ontvlucht door een Nederlands meisje te huwen. Hun enige zoon was een ondernemende geest, nam in Deventer een dweilenfabriek over van een Zwitser en breidde die uit met de productie van tapijten, zeildoek en andere ‘nuttige bekleding’. Ook hij huwde een Nederlands meisje, Aleida, bij wie hij drie zonen verwekte.

De eerstgeborene Gerhard David kwam bij zijn vader in de Deventer fabriek te werken. Op een dag vroeg de raadspensionaris Rutger Jan Schimmelpennick hem zijn Smyrnatapijt te repareren. Moeder Aleida is toen net zo lang op het tapijt gaan zitten puzzelen tot ze de manier van knopen had gevonden. Naar haar bevindingen construeerde de jonge Gerhard David een getouw en ontwikkelde een product dat onder de naam ‘Deventer handgeknoopt tapijt’ de wereld zou gaan veroveren. Hij legde zich toe op het ontwerpen van tapijten, maar kwam te sterven toen hij pas 20 was.

De jongste zoon, Johan Willem, zou na het overlijden van de vader in 1830 de fabriek voortzetten. Eén van zijn eerste daden was het dagloon niet meer op de zaterdag maar op de donderdag uit te betalen, één dag voor de belangrijkste marktdag. De arbeiders konden nu niet meer direct de kroeg in duiken en na een weekendje doorzakken de maandag verstek laten gaan, zodat er na de dinsdag geen geld meer was om vrouw en kinderen te eten te geven. Ook begon hij met het heffen van premie, waarmee ziekte- en begrafeniskosten konden worden betaald. Verder werden sterke drank uit de fabriek geweerd, een portier aangesteld en geldboetes geheven op te laat komen, waarvan kleding en brandstof werden gekocht, die weer onder de 300 werklieden werden verloot. Johan Willem spoorde de arbeiders aan om lid te worden van de godsdienstige gemeente waartoe zij behoorden, charterde een verwarmde zaal en een dominee om hen godsdienstonderwijs te laten volgen en stelde, in de Schotse traditie, de zaal tevens ter beschikking aan leden van andere ‘gezindheden’.

Al deze maatregelen brachten een redelijke orde in de fabriek, waar allengs minder werd gezopen, gevloekt, geboerd en scheten gelaten en zo geviel het dat onze Johan Willem werd gelauwerd met ridderkruizen, want Koning Willem III was er als de kippen bij om aandelen te kopen toen de fabriek werd omgezet in een maatschappij.

Maar God had de brave man nodig. Hij stuurde in 1848 een donkere wolk uit Schotland naar de Koninklijke Fabriek van Smirnasche & Andere Tapijten en liet hem daar een poosje hangen. Orders bleven uit. Johan Willem kon ze niet meer in de ogen kijken, de werklieden die nog altijd zo braaf zonder de jeneverfles onder de oksel op tijd kwamen en zondags psalmen en gezangen uit de minder schorre strotten lieten komen in het vrome zaaltje met het preekgestoelte, de gasverlichting en de warme oliekachel. De fabriek draaide zo slecht, dat hij deze enigszins opgevoede lui nu niet eens meer regelmatig kon betalen.

De gekwelde Johan Willem, terneergeslagen door de tegenvallende opbrengsten van zijn fabriek, ontvluchtte de stad, stak de grens over naar een plas bij Bentheim in Duitsland en verzoop zich er in het koude water. Ironischerwijs verdween direct daarop de donkere wolk boven de fabriek en begonnen de orders weer binnen te stromen.

Johan Willem liet negen kinderen na, bij twee vrouwen. Onder hen zat mijn overgrootvader George. Hij was 17 en leek geenszins van plan de fabriek voort te zetten, zelfs niet toen de fabriek beter liep dan ooit tevoren. Hij volgde een opleiding aan de bestuursacademie te Delft, zoals indertijd velen deden met oog op een loopbaan in Nederlands-Indië, en was 21 jaar oud toen hij uitzeilde om in de kolonie aan de slag te gaan.

JEMBER, INDONESIA – JUNE 16: A worker walks home past tobacoo plants in the Jember tobacco fields on June 16, 2007 in Jember, Indoensia. Despite Indonesia’s troubled and struggling economy, the country continues to produce quality tobacco for cigar production throughout the world, which it has done so since late 1700. In Indoensia, a majority of tobacco is harvested in Jember, East Java. PT Ledokombo, the largest exporter of tobacco for cigars in Jember, is responsible for 60% of the export in the region and their tobacco is exported to countries including Cuba, France, Algeria and Spain. (Photo by Kristian Dowling/Kristian Dowling)

Na aankomst op Java trad George in dienst als controleur bij het Binnenlandse Bestuur. Hij had een verloofde in patria, maar liet de vrouw niet overkomen. Omdat de omstandigheden in de binnenlanden te primitief waren voor een Nederlandse vrouw, verbrak hij zelfs zijn verloving. Of was hij getroffen geraakt door de schoonheid van de vrouwen van het land?

Hij klom snel op de bestuursladder en kreeg na enkele goede rapporten het district Djember van de afdeling Bondowoso onder zijn toezicht. Op zekere dag bracht de resident van Besoeki een bezoek aan de koffietuinen van het gouvernement in Birnie’s district. De resident klaagde dat er grote schade was aangericht door de ‘zwarte apen’, die volgens hem te massaal in de schaduw van de bomen zaten. George Birnie schreef die avond in zijn dagboek, dat hij als ambtenaar bij te houden had, dat er sedert het bezoek van den resident geen apen meer in de gouvernementstuinen te zien waren.

Het gouvernement waardeerde de humor niet en stelde overplaatsing voor naar een ander district, mét weliswaar een verhoging van het traktement. George Birnie zag er een straf en verbanning in, nam ontslag en verliet voorgoed de gouvernementsdienst om voor eigen rekening te gaan werken.

Als controleur had George veel visites op plantages afgelegd en gezien dat in Djember de bodem in dialoog met de lucht erboven uiterst geschikt was voor de tabaksplant. Het was er dunbevolkt en de grond was nauwelijks in cultuur gebracht. Aanvraag van gronden was onnodig in die tijd. George ging er aan de slag met twee compagnons, die later werden vervangen door een neef en naamgenoot van zijn vroeggestorven oom Gerhard David. Hij koos eerst de droge velden en liet die door de bevolking beplanten. Allengs liet hij bossen kappen en de grond geschikt maken voor de aanplant, zodat zaadbedden konden worden aangelegd en zaailingen aan de bevolking worden uitgegeven. Na het uitplanten werden de velden in de periode juli tot oktober nauwlettend geïnspecteerd op vervuiling, beschadiging door rupsen en vernieling door mensen. In die periode kreeg het Djemberse vaak regen of zware mist te verduren, als voorloper van de westmoesson. Daarna kon worden geoogst. In de overige maanden kon de bevolking de gronden vrij gebruiken voor het verbouwen van rijst. Betaald werd naar het aantal geslaagde tabaksbomen, wat neerkwam op ongeveer de helft van wat werd geplant.

George pionierde met zijn werkwijze door het invoeren van een tabakscultuur waar anders de bodem onbenut bleef. Maar hoe kreeg hij de bevolking zo ver dat ze voor hem gingen werken? De Javaanse bevolking nam doorgaans niet méér aanplant aan dan strikt noodzakelijk was voor hun levensonderhoud, een gezonde houding zou ik zeggen, tegenover de winsten die de Europese planter voor ogen stond. George had dus te leven met de bevolking en diende hun doen en laten te leren kennen om ze met inachtneming van respect aan het werk te krijgen voor zijn tabak.

Hij leefde onder tamelijk primitieve omstandigheden, liet geen grote administrateurwoning bouwen, zo’n koloniaal paleis met Griekse zuilen dat je op foto’s uit tempo doeloe (= de goede oude tijd) kunt zien, met tuin, oprijlaan, koetshuis en overige bijgebouwen. Zelfs een huis van steen was er nog niet bij. De woning van zijn onderneming was gemaakt van bamboe en gevlochten palmbladeren, zoals de kamponghuisjes van de bevolking.

Soms kwam George van Djember afzakken naar Soerabaja, na enorme verliezen te hebben geleden op de investering in de plantages. Plukkend aan zijn baard kwam hij bij zijn zakenvrienden aan tafel zitten met het voornemen de hele boel te verkopen en zijn fortuin elders te gaan zoeken. Maar na een verfrissing en een peptalk van deze of gene in het bloedhete Soerabaja kwam George dan maar weer eens overeind, wuifde zich koelte toe met zijn hoed en stelde de vendutie nog maar een maand uit.

Toen hij op zekere dag een schare vrouwen en meisjes nodig had voor het werken in de schuur, zag hij dat ze angstig voor hem wegscholen. Wat was er aan de hand?

Een oude Javaanse vrouw maakte gebruik van haar gezag en wees hem beleefd op zijn enorme baard.

Onder de vrouwen die zich voor hem hadden verscholen, bevond zich Rabina, dochter van Pa Grimin en Sayeh, geboren op 18 augustus 1844 te Gambangan, Penaggoengan, afdeling Bondowoso. Rabina moet erg jong zijn geweest, een jaar of zestien, toen de slavernij werd afgeschaft en zij als huishoudster in dienst trad bij het harige spook, dat zijn baard had afgeschoren en was veranderd in een aantrekkelijk gepolijste blanke man.

De tabakscultuur bracht Djember geleidelijk welvaart, er werden karren gekocht, er werd vee aangeschaft en men bouwde degelijker huizen. George liet een familiehuis bouwen, waar hij met Gerhard David en voltallige families in kroop. De neven staken ‘s avonds de koppen bijeen, omdat ‘wilde tabakkers’ in de omgeving neerstreken. Deze concurrenten namen het niet zo nauw met inferieure tabaksplanten, betaalden de koelies hoger en dreven zo de marktprijzen op. George Birnie zag zijn tabaksbedrijf in gevaar komen, liet Gerhard David op de landerijen passen en kocht een huis in Batavia, het centrum waar je moest zijn voor je lobby met het gouvernement, dat zich intussen door middel van wetgevingen met de cultures was gaan bemoeien.

In Batavia resideerde ook Busken Huet, voormalig redacteur van De Gids onder E.J. Potgieter. Busken Huet was na enkele geruchtmakende publicaties uit de redactie van De Gids gestapt, gevolgd door een aan hem loyale Potgieter. Na publicatie van een te erotisch getinte roman had Busken Huet zijn dieptepunt in Nederland bereikt. Hij kwam in 1868 in Batavia aan en werd er journalist voor de Java-Bode. Daar ontwikkelde zich een nieuw schandaal. Zijn reis naar Nederlands-Indië bleek betaald te zijn door de Minister van Koloniën, die hij als tegenprestatie voor de regering in het moederland zou adviseren hoe de Indische pers het beste in toom kon worden gehouden. Toen in 1872 de Java-Bode van eigenaar veranderde, vond Busken Huet het tijd worden om een eigen dagblad te lanceren. Om financiële steun voor zijn krant te verwerven was hij afhankelijk van onder meer bankiers, suikerfabrikanten en rijke, conservatieve planters uit de Oosthoek van Java, die een liberale koloniale politiek schuwden.

Ook George Birnie was gebaat bij het voortbestaan van een behoudende krant en steunde Busken Huet dan ook met geld. In april 1873 verscheen het eerste nummer van het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië. Busken Huet had in Batavia een fraai huis gekocht, waar zijn vrouw Anne de boel bestierde met meer dan tien personeelsleden. De man beschouwde het bezit van de Indische kolonie als zo’n beetje het enige waarom de rest van de wereld Nederland mocht benijden. Maar echt thuis voelen deed hij zich niet in Nederlands-Indië. Van maandag tot en met zaterdag reed hij met zijn koets om zeven uur ’s morgens naar het redactiebureau in de Bataviase benedenstad, om pas tegen zessen weer thuis te komen. De avonden vulde hij met het schrijven van artikelen en feuilletons voor zijn krant, en met lezen. Ook zijn vrouw Anne schreef feuilletons, wellicht als ghostwriter, dat zou moeten worden uitgezocht.

Het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië leek een succesvolle onderneming. Maar volgens Olf Praamstra, de biograaf van Busken Huet, is dat niet waar. Het bewijs hiervoor vond hij in de brieven die Busken Huet schreef aan George Birnie, waarin de literator een heel andere toon aanslaat dan in de brieven die hij aan zijn literaire bondgenoot E. J. Potgieter in Nederland stuurde. De brieven aan George Birnie staan bol van gebedel om geld, compleet met inkomstenstaatjes.

Het aantal abonnees van het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië was te laag om de krant draaiende te houden. Busken Huet zag bovendien geen kans te repatriëren naar Nederland, nu zijn zoon Gideon veertien jaar was en hij het hoognodig achtte dat die beter onderwijs ontving dan in Batavia voorhanden was. George Birnie vond dat deze criticus ook wel een beter lot verdiende dan de rest van zijn leven als journalist in Batavia te moeten slijten. Busken Huet wilde een rol gaan spelen in het politieke leven in Nederland en schreef, voor mij nogal verrassend, dat hij een einde aan de bourgeoisie wilde maken en met de oprichting van een landelijke organisatie van arbeiders een nieuwe stem aan de Nederlandse politiek wilde geven. George Birnie stemde ofwel met die plannen in, of had gewoon met de man te doen. Hij leende hem het geld om zijn schuldeisers af te kopen, zodat Busken Huet zijn zaken in Indië kon liquideren.

Ook George Birnie maakte zich op voor een terugkeer naar Nederland. Nu was het eenvoudiger om met een blanke vrouw terug te keren dan met een Javaanse. Dat spreekt overduidelijk uit een brief van Anne Busken Huet aan de zuster van E. J. Potgieter, kort na diens overlijden op 3 februari 1875. De brief volgt hier integraal.

Batavia, 18 Maart 75.

Lieve Sophie,

Na uw eerste droeve tijding heb ik nog geen nader berigt van u kunnen ontvangen, toch wil den mail, die heden van hier vertrekt, niet laten gaan, zonder een woordje aan u mede te geven. –
Gij kunt u niet voorstellen welk een treurig gevoel het is, nu verder niets van u af te weten, van hoe gij het maakt en wat uwe plannen voor de toekomst zijn. In het lieve oude huis zult gij wel niet blijven, dat zal u te groot zijn, vrees ik. Ik weet dus volstrekt niet meer waar, of hoe, ik u mij voorstellen moet: noch ook hoe veel leed gij hebt gedragen bij het verstoren en wegnemen dier wereld van souvenirs waarin uw lieve doode zijn ganscher grooten geest had afgedrukt, en die ik zóó gaarne nog eenmaal weer in hun geheel had aanschouwd: ach, Sophie, uw broeders heengaan heeft de eenige bekoring welke Holland voor ons had weggenomen; en wij zouden lust hebben er niet weer heen te gaan. Zeg het aan niemand: doch het is zoo. Wie zal Huet met ware hartelijkheid te gemoet komen, buiten die eenige, die alles vergoedde, en die het niet meer doen kan. – Toch zouden wij zoo gaarne met u zamen zijn. Ik wil u daarom van onze plannen vertellen, om te zien, of het mogelijk zijn zou, ze eenigzins met de uwe in overeenstemming te brengen. – Ik zal u dus, in vertrouwen mededeelen, dat Huet, reeds eenige maanden geleden, een zekeren heer Birnie beloofd heeft, voorloopig althans, de wintermaanden met hem in Italië te zullen doorbrengen. Daarna zullen wij waarschijnlijk naar Zwitserland gaan, om Gideon op school te brengen, en ook daar eenigen tijd vertoeven. De reden nu waarom mijnheer Birnie er zoo op gesteld is, ons gezelschap te genieten, zal ik u nader verklaren. Mijnheer Birnie heeft hier zijn fortuin in de tabak gemaakt. Hij bezit eenige tonnen in de wereld, en gaat nu in Europa van zijne renten leven. Tot zoover is alles goed; doch er is een drawback; en wel deze; de man is getrouwd met eene Javaansche vrouw, bij wie hij, ik geloof, 8 kinderen heeft, en die hij, op aanraden zijner familie en ter liefde van zijne kinderen, voor een paar jaar heeft gehuwd. Die vrouw, zij spreekt zelfs niet anders dan maleisch, is volstrekt ongeschikt om een Europeesch huishouden te drijven; zelfs vertrouwt hij haar de opvoeding zijner kinderen niet toe; deze gaan alleen naar eene zijner zusters te Zwolle en gaan daar naar school; alleen de allerkleinsten houdt zij bij zich. Ziehier de ramp van dezen vermogenden, welontwikkelden en zeer interessanten man. Nu heeft hij, – aan wien Huet in zijne zaken veel verpligting heeft, – ons voorgesteld, in zijn gezelschap te reizen en voorloopig met hem zamen te blijven; en wij hebben dit beloofd. Wij kunnen daarvan dus onmogelijk af. – Maar nu is er eene andere vraag. Kunt gij niet bij ons in Italië komen? Voor uwe gezondheid was dat zeker goed. Tegen het einde van October komen wij te Napels aan. Zeg dat gij komt, dan reist Huet u te gemoet. Het zou ons ontzaggelijk veel genoegen doen, indien gij er toe besluiten kondt. Wat hebt gij alleen in het sombere kille Amsterdam? Die vrouw zal ons niet hinderen; zoo iemand is net een groot kind; daarbij heeft zij hare kindertjes, om zich mede bezig te houden, en gaat er waarschijnlijk nog een jufvrouwtje van gezelschap voor haar mede. Ik heb alleen beloofd: haar te protégeren en het oog over haar te houden. – Al hetgeen ik u hiervan zeg, weet niemand anders; het is meneer Birnie’s geheim; en gij moet het stipt voor u houden. – O wat zou ik hierop gaarne een gunstig antwoord van u krijgen; aan eene gewone Hollandsche, Amsterdamsche dame, nog wel, zou ik het niet durven voorstellen; maar aan u, dat is heel wat anders. Het zou zoo goed voor u, en voor ons allen zijn.
En hiermede eindig ik voor dezen keer; vreezende dat mijn brief anders te laat in den bus komt. Dag, lieve Sophie.
Uwe zeer hartelijk liefh.
Anne.

George Birnie en Conrad Busken Huet maken zich op om in september 1875 samen met hun gezinnen naar Europa terug te keren. Om een of andere reden gaat de gezamenlijke reis niet door. De dood van Potgieter snijdt, zoals Anne aan Sophie schrijft, bovendien de laatste fysieke band door die Busken Huet nog met Nederland heeft. De vriendschap tussen George Birnie en Busken Huet is een goeddeels zakelijke en de scheiding van het tweetal is nauwelijks pijnlijk te noemen. Busken Huet komt uiteindelijk in Parijs terecht, waar hij de laatste tien jaar van zijn leven zal slijten.

George Birnie heeft zijn huis in Batavia verkocht, gelegen aan de westkant van het Koningsplein, waar ook de familie Couperus, onder wie de latere schrijver Louis nog als jochie, van 1872 – 1878 woont. Het beheer van de onderneming in Djember wordt aan neef Gerhard David overgedragen en George vertrekt, dus zonder de Busken Huets, met Rabina naar Europa.

Om Rabina aan die andere wereld te laten wennen, trekken ze eerst naar Napels. Ze logeren er een maand of negen in Hotel de Russie aan de Corso Vittoria Emanuela nr. 8. De kinderen zitten, neem ik aan, dan bij hun tantes in Deventer.

‘Zeg Rabina,’ vraagt George op een dag, ‘wil je vanavond niet meegaan naar de Opera?’

‘Opera, opera, watte geven? Faust? Ouwe man met dikke boek (buik). Dank je hartelijk.’

George schreef in één van zijn brieven dat het bijna niet mogelijk is zich straffeloos te onttrekken aan het milieu waarin men geboren is, of waarin men later meer dan een halven menschenleeftijd heeft doorgebracht.

Het liefst was hij vanuit Italië linea recta terug naar Djember gegaan, maar het leek hem onvermijdelijk de familieonderneming vanuit Nederland te moeten gaan leiden. Uiteraard zag hij al voor zich dat hij een probleem zou krijgen met zijn vrouw in Nederland. De vraag waardóór dat probleem kon bestaan, hoeft onderhand niet meer gesteld worden. Racisme is natuurlijk niet langer incidenteel te noemen. Zo veel zijn we de laatste honderd jaar wel opgeschoten.

In de zomer van 1876 krijgt de bijna 32-jarige Rabina eindelijk het moederland van haar man te zien. Aanvankelijk wonen ze in Velp. In 1880 betrekken ze een door George aangekocht familiehuis aan de Brink te Deventer.

Zoals George met zijn baard een opvallende verschijning was in Djember, zo was Rabina dat nu in het Overijsselse. Bij een wandeling op De Brink in Deventer riep een straatjongen naar haar: ‘O, wat ben jij vies!’

‘Ik heb bruine huid,’ antwoordde Rabina, ‘maar heb gewassen. Ik niet vies, jij niet gewassen, jij vies.’

Een dergelijke scène zou niet hebben misstaan in het proza van Dé-lilah. Helaas heb ik zelfs in haar proza, dat 2000 bladzijden telt, geen voorbeeld kunnen vinden van hoe Javaanse vrouwen zich bewogen in burgerkringen in Nederland. En als je het al niet bij de volkomen onterecht vergeten Dé-lilah kunt vinden, dan vind je het waarschijnlijk verder nergens.

* * *
Bronnen:
Joop van den Berg: Dé-lilah, een vergeten schrijfster van ruim 2000 pagina’s Indisch proza. Amsterdam: Uitgeverij De Buitenkant; Uitgelezen boeken, katern voor boekverkopers en boekenkopers, jrg. 6 nr. 2, juni 1996. Of, verkort, in Indische Letteren, 12e jaargang, nummer 2, juni 1997: Dé-lilah, een vergeten schrijfster van ruim 2000 pagina’s Indisch proza.

Elisabeth Birnie. De Birnies. Twello, 1992 (eigen beheer)

J.J.P. de Jong. De waaier van het fortuin. Den Haag, SDU: 1998

Olf Praamstra. Gezond verstand en goede smaak, de kritieken van Conrad Busken Huet. Amstelveen: 1991. Bij het ter perse gaan van dit nummer beschikte ik nog niet over de jongste biografie van Olf Praamstra over Conrad Busken Huet en ik kon dus nog niet nagaan of hij de onderhavige brief van Anne Busken Huet misschien (in zijn geheel) heeft geciteerd, wat overigens het geval is. De brief van Anne Busken Huet ontving ik in 2001 per e-mail van Olf Praamstra, de biograaf van Conrad Busken Huet.

* * *
© Dit artikel verscheen eerder in De Gids van mei 2007