Postkoloniaal naschrift

alfred birney pelikan vulpen Op het moment van dit schrijven vindt er een Oeroeg-hype plaats in de Modderpoel van West-Europa. De filmversie van het boek wordt op de televisie uitgezonden. Er vinden talloze lezingenavonden plaats met medewerking van wetenschappers die onnadenkend de literaire canon dichtmetselen tegen aanvallen van buitenaf. Als klap op de vuurpijl doedelzakt er een speciale voorleestrein op het traject Amsterdam – Den Haag vol BN’ers die geen idee hebben van de koloniale onnozelheid waarvan Oeroeg doortrokken is. Het hele circus schijnt bedoeld om een discussie aan te wakkeren. Maar obligaat gezemel houdt geen miljoen door de CPNB verspreide exemplaren van het beroerdste boek rond de vrijheidsstrijd van Indonesië tegen. Welk thema moet de discussie eigenlijk dienen? De tragiek in tijden van oorlog of het ‘tragische’ einde van Neerlands koloniale heerschappij?

De ‘tragiek’ volgens Hella Haasse in Oeroeg werd al in juni 1948 door Tjalie Robinson als volstrekt onwaarachtig afgedaan. Dat diens nog altijd actuele, scherpe kritiek de CPNB na zestig jaar nóg niet heeft gehaald is pijnlijk. En verwarrend, vooral voor Indo’s, die zich nauwelijks in dat boek herkennen. Nou is verwarring wel zo ongeveer synoniem aan Neerlands oorlogsjaren. Duurde die oorlog nou van 1940 tot 1945, tot 1949 of tot 1963, toen de VN Nieuw-Guinea aan Indonesië overdroeg?

Ik leerde ooit een ernstige snoet trekken bij deprimerend klokgelui op elke 4e meiavond. Mijn Nederlandse moeder vierde de 5e mei: de Duitse capitulatie in Nederland. Mijn Indo-vader vierde de 15e augustus: de Japanse capitulatie in Nederlands-Indië. Ik ben nooit bij die herdenking rond het Indisch Monument in Den Haag geweest. Ik houd niet van oude Indo’s in uniformen die als malloten nog altijd salueren voor Vorstin en Vaderland. En zij houden niet van mij: een ‘linkse Indo’ in hun ogen.

Er is nog altijd gedoe over de onafhankelijkheidsdatum van Indonesië. De Indonesiërs houden het op 17 augustus 1945, toen Soekarno en Hatta de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië uitriepen. Zestig jaar na dato accepteerde onze minister van Buitenlandse Zaken in naam van Nederland ‘politiek en moreel’ alsnog de datum van 17 augustus 1945 als de dag van de onafhankelijkheid. Politieke onzin natuurlijk, want het gaat om een onafhankelijkheidsverklaring. Tussen die verklaring en de feitelijke soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949, ligt een poel van bloed, zweet en tranen.

Dat in geschiedenisboeken nog altijd eufemistisch over de Politionele Acties wordt gesproken is een ontkenning van de vieze oorlog die Nederland overzee voerde. Voor Indo’s was het een lange oorlog. Zij maken sindsdien een spagaat tussen beide landen en worden daar onderhand stram en stijf van. Elke oorlog eindigt op papier. En wordt uiteindelijk fictie. Oeroeg is pulpfictie. Dat de kritiek van Tjalie Robinson nooit gehoord werd is veel tragischer dan dat verhaal zelf.

© 2009 Alfred Birney – gastcolumn voor De Republikein winternr 2009/10 retroblogged 31 juli 2011

Doch er is een drawback

Wie in zijn familiegeschiedenis duikt, komt vroeg of laat wel ergens een wapenschild of beroemdheid tegen. Op een dag keek ik terug op wat ik geschreven had en welke familieleden model in mijn romans hadden gestaan. Dat waren mijn vader en mijn grootmoeder. Er restte nog één figuur die ik moest ontdekken langs de Indische lijn in mijn familie: mijn overgrootmoeder. Onderzoek plegen hoefde niet, gegevens over haar werden me mettertijd ongevraagd aangereikt door historici en literatuurwetenschappers die mijn schrijverspad kruisten en verdwenen ongelezen in mijn lade. Die hoefde ik slechts open te trekken toen ik aan een novelle begon te werken en haar – dit klinkt oneerbiedig – als bijfiguur nodig had.

Rabina heette ze, geboren ergens op Oost-Java, zonder achternaam. Niet direct iemand die je in de negentiende eeuw ergens in Overijssel zou tegenkomen, dacht ik. En zo dachten indertijd Anne Busken Huet en Sophie Potgieter ook. Anne was de vrouw van de schrijver, criticus en journalist Conrad Busken Huet, die zijn heil in Batavia was gaan zoeken. Sophie was de zuster van E. J. Potgieter, mede oprichter van het tijdschrift waar u nu in leest: De Gids.

Wie een beetje thuis is in de Indische bellettrie, weet dat schandalen bij voorkeur in de kolonie werden gesitueerd en dat de beschaving begon en eindigde in Nederland. Je ziet het in de werken van Couperus en Multatuli, maar de echte liefhebber haalt zijn informatie uit de boeken van niet gecanoniseerde schrijvers.

De naam Dé-lilah zal alleen de ingewijde iets zeggen. Haar verbeelde werkelijkheid van onverschillig Hollanders, Chinezen of Indo’s was meedogenlozer dan die van haar voorgangers, al dweepte zij als Indo-Europees kind van haar tijd enorm met het beeld van ‘de aristocratische westerling’. Dit zal haar literaire positie in de ogen van diezelfde westerling ironischerwijs wel hebben verzwakt, als er al een kans was dat de smaakmakers van de Nederlandstalige literatuur haar boeken opensloegen.

Dé-lilah geboortejaar wordt door haar ontdekker Joop van den Berg rond 1850 geschat. Zekerheid over haar ware naam is er niet. Maar ze heeft tenminste een pseudoniem én een hilarische wijze van zichzelf aan de lezer voorstellen.

In het verhaal Een zuinige huisvrouw uit de bundel Een Indisch dozijntje (1898) gaat ze met haar vriendin naar de markt, een verschrikkelijke onderneming voor iemand zo ongeschikt voor het huishouden als Dé-lilah. Het verhaal is in zoverre interessant, dat de schrijfster een coming out inlast, tamelijk uniek voor die tijd:

Hanna, mijne vriendin is een aardig indisch vrouwtje, precies zooals ik, dat wil zeggen, dat ik ook een indiesche ben, of ik aardig ben daarover zullen we maar zwijgen.

Deze zin luidt een boosaardige scène in, die zich later op de markt afspeelt:

Vol afschuw sloegen we een ander paadje in, dat nog voller was dan al de andere wegen. Ik ergerde me vreeselijk. Ik was al uit mijn humeur over hetgeen ik gezien had en nu overkwam mij weêr de ergernis, als een pilaar vastgemetseld te moeten blijven staan en me niet te kunnen bewegen door deze foule van menschen. En wat voor menschen? Armoedige, vuile, magere inlanders, menschen met huid- en andere ziekten, vrouwen met ongekamde haren en natuurlijk het noodige gezelschap bij zich, of met een enkele sarong aan, met ontbloot bovenlijf; mannen, vuil en verwilderd, waaronder echte galgentronies.

Ik werkte geducht met mijn ellebogen, maar ’t hielp niet veel. Daar staat een Soendanees naast me met een rits, nog levende, spartelende goudvischjes aan een touwtje, en ik merk tot mijn ontzetting, dat hij dat zoodje tegen het aardbeien satijn mijner kabaija houdt en dat daar een leelijke vies ruikende vlek op gekomen is.

In mijn boosheid stoot ik met de punt van mijn parasol in zijn ribbenkast. Het schijnt aangekomen te zijn, want de kerel valt achterover, precies op een oude vrouw, die zwarte boeboer ketan verkoopt en hij trapt met zijn eene voet in de pan kokende toeboer. De vrouw schreeuwt en scheldt vreeselijk, maar de consternatie wordt nog grooter, wanneer diezelfde man, die van pijn brult, al strompelende terecht komt in een hoop katjang. Gelukkig is er nu ruimte gekomen en kan ik verder gaan…

Dé-lilah is waarschijnlijk de allereerste overduidelijke Indo-Europese vrouw die zich aan verhalend proza wijdde. Ze kende het plantersmilieu goed, vooral in de uithoek Deli (Dé-lilah) aan de Oostkust in het Noorden van Sumatra, dat indertijd als een staat in een staat functioneerde. Daar gaf de zogenaamde ‘Koelie-ordonnantie’ planters de vrijheid hun arbeiders naar eigen goeddunken te berechtigen. Een dergelijke bizarre autocratische samenleving kende men op Java niet.

Als verhalen voor kinderen bij sprookjes beginnen, waarom dan niet verhalen voor volwassenen bij driestuiverromans. Dé-lilah schreef pulpfictie van hoge kwaliteit, boeken die helaas vrijwel niet meer te vinden zijn. In haar plantersroman Hans Tongka’s carrière (1898), een Indische soap superieur, is álles maar dan ook álles te vinden over vrouwenlevens in de kolonie, door alle rangen en standen heen, met diverse Europese en Aziatische nationaliteiten. Je bent als lezer onder meer getuige van de gevechten die Aziatische vrouwen moeten leveren om een blanke man te kunnen huwen. En je krijgt te zien dat het de ene vrouw wél en de andere niet lukt.

In Dé-lilah’s tweedelige roman worden twee zogeheten njais opgevoerd, vrouwen die dansen op het koord tussen huishoudster en minnares van een blanke man. De ene heet Kim, de andere Yum. Kim is mooi, opstandig, geraffineerd en boosaardig. Yum is onooglijk, dociel, naïef en goedmoedig.

Kim gaat door voor een Chinese, maar heeft een Javaanse moeder. Dat wordt uitdrukkelijk gesteld, want dat krengerige in Kim moet toch érgens vandaan komen. Dé-lilah is met haar Indo-Europese achtergrond in haar etnische typeringen veel preciezer dan veel van haar zogeheten ‘volbloed’ Nederlandse collega-schrijvers, wat een gevolg is van een groter etnisch bewustzijn bij Indo-Europese schrijvers. Iemand met een gemengde achtergrond is eerder, en niet zelden sociaal gedwongen, met zijn of haar afkomst bezig. Dat is het raciale oog, wat heel iets anders is dan de racistische blik.

Yum is een volle Chinese, maar het wordt nergens duidelijk of zij in Nederlands-Indië geboren is, of als immigrante direct afkomstig is uit China. Kim en Yum moeten een jaar of twintig zijn wanneer Dé-lilah een rond 1885 gesitueerde historische scène beschrijft, waarin twee Chinese losarbeiders (koelies) zonder enige vorm van proces worden opgehangen (dat was mogelijk in het toenmalige Deli). Mijn overgrootmoeder Rabina is dan tweemaal zo oud en heeft dan al de status bereikt waar Kim en Yum zo naar smachten: een huwelijk met een blanke man.

De dekselse Dé-lilah, met haar enorme, sardonische talent voor soap, gekoppeld aan een cynische, parodiërende blik op het Nederlands-Indische leven, wil wel zo goed zijn om aan het einde van haar boek de onooglijke Yum met een Hollander te laten trouwen. Maar dan wél in Deli, ver van het beschaafde Europa vandaan. Met de mooie, vol streken zittende Kim loopt het slechter af: ze sterft.

Een huwelijk met een blanke man, inclusief een villa ergens in de Nederlandse provincie, is in Dé-lilah’s roman slechts weggelegd voor blanke Hollandse vrouwen. Dat op zich is niets bijzonders in de Indische bellettrie. En daarom is het verhaal van mijn overgrootmoeder Rabina zo bijzonder. Zij was immers een Javaanse. Toch trouwde ze met een blanke man en ging zelfs met hem mee naar Nederland. Er is nog nooit een kenner van de Indische literatuur geweest die mij een boek kon wijzen waarin zo’n verhaal verteld wordt. Verbintenissen tussen Javaanse vrouwen en blanke mannen spelen zich in de Indische bellettrie altijd af op het scandaleuze Java. Indo-Europese vrouwen kwamen wél met hun blanke mannen naar Nederland, maar dat is een ander verhaal, vaak genoeg verteld ook.

Gelukkig hebben we de brief nog als lapmiddel tussen fictie en non-fictie. Rabina bracht de dames Anne Busken Huet en Sophie Potgieter in elk geval voldoende gesprekstof, waaraan een ‘geheime’ brief voorafging. Maar hoe kwam het dat deze dames uit literaire kringen zich verlaagden om ook maar met één woord te reppen over zo’n eenvoudige vrouw uit Oost-Java? Om antwoord te geven op de vraag hoe Rabina in Europese kringen verzeild was geraakt, moet ik terug naar de 12e oktober 1852, toen mijn overgrootvader George Birnie uitzeilde richting Nederlands-Indië, via Kaap de Goede Hoop.

George Birnie’s eigen overgrootvader was halverwege de achttiende eeuw via een Schots regiment in Nederland aan komen waaien en het leger ontvlucht door een Nederlands meisje te huwen. Hun enige zoon was een ondernemende geest, nam in Deventer een dweilenfabriek over van een Zwitser en breidde die uit met de productie van tapijten, zeildoek en andere ‘nuttige bekleding’. Ook hij huwde een Nederlands meisje, Aleida, bij wie hij drie zonen verwekte.

De eerstgeborene Gerhard David kwam bij zijn vader in de Deventer fabriek te werken. Op een dag vroeg de raadspensionaris Rutger Jan Schimmelpennick hem zijn Smyrnatapijt te repareren. Moeder Aleida is toen net zo lang op het tapijt gaan zitten puzzelen tot ze de manier van knopen had gevonden. Naar haar bevindingen construeerde de jonge Gerhard David een getouw en ontwikkelde een product dat onder de naam ‘Deventer handgeknoopt tapijt’ de wereld zou gaan veroveren. Hij legde zich toe op het ontwerpen van tapijten, maar kwam te sterven toen hij pas 20 was.

De jongste zoon, Johan Willem, zou na het overlijden van de vader in 1830 de fabriek voortzetten. Eén van zijn eerste daden was het dagloon niet meer op de zaterdag maar op de donderdag uit te betalen, één dag voor de belangrijkste marktdag. De arbeiders konden nu niet meer direct de kroeg in duiken en na een weekendje doorzakken de maandag verstek laten gaan, zodat er na de dinsdag geen geld meer was om vrouw en kinderen te eten te geven. Ook begon hij met het heffen van premie, waarmee ziekte- en begrafeniskosten konden worden betaald. Verder werden sterke drank uit de fabriek geweerd, een portier aangesteld en geldboetes geheven op te laat komen, waarvan kleding en brandstof werden gekocht, die weer onder de 300 werklieden werden verloot. Johan Willem spoorde de arbeiders aan om lid te worden van de godsdienstige gemeente waartoe zij behoorden, charterde een verwarmde zaal en een dominee om hen godsdienstonderwijs te laten volgen en stelde, in de Schotse traditie, de zaal tevens ter beschikking aan leden van andere ‘gezindheden’.

Al deze maatregelen brachten een redelijke orde in de fabriek, waar allengs minder werd gezopen, gevloekt, geboerd en scheten gelaten en zo geviel het dat onze Johan Willem werd gelauwerd met ridderkruizen, want Koning Willem III was er als de kippen bij om aandelen te kopen toen de fabriek werd omgezet in een maatschappij.

Maar God had de brave man nodig. Hij stuurde in 1848 een donkere wolk uit Schotland naar de Koninklijke Fabriek van Smirnasche & Andere Tapijten en liet hem daar een poosje hangen. Orders bleven uit. Johan Willem kon ze niet meer in de ogen kijken, de werklieden die nog altijd zo braaf zonder de jeneverfles onder de oksel op tijd kwamen en zondags psalmen en gezangen uit de minder schorre strotten lieten komen in het vrome zaaltje met het preekgestoelte, de gasverlichting en de warme oliekachel. De fabriek draaide zo slecht, dat hij deze enigszins opgevoede lui nu niet eens meer regelmatig kon betalen.

De gekwelde Johan Willem, terneergeslagen door de tegenvallende opbrengsten van zijn fabriek, ontvluchtte de stad, stak de grens over naar een plas bij Bentheim in Duitsland en verzoop zich er in het koude water. Ironischerwijs verdween direct daarop de donkere wolk boven de fabriek en begonnen de orders weer binnen te stromen.

Johan Willem liet negen kinderen na, bij twee vrouwen. Onder hen zat mijn overgrootvader George. Hij was 17 en leek geenszins van plan de fabriek voort te zetten, zelfs niet toen de fabriek beter liep dan ooit tevoren. Hij volgde een opleiding aan de bestuursacademie te Delft, zoals indertijd velen deden met oog op een loopbaan in Nederlands-Indië, en was 21 jaar oud toen hij uitzeilde om in de kolonie aan de slag te gaan.

JEMBER, INDONESIA – JUNE 16: A worker walks home past tobacoo plants in the Jember tobacco fields on June 16, 2007 in Jember, Indoensia. Despite Indonesia’s troubled and struggling economy, the country continues to produce quality tobacco for cigar production throughout the world, which it has done so since late 1700. In Indoensia, a majority of tobacco is harvested in Jember, East Java. PT Ledokombo, the largest exporter of tobacco for cigars in Jember, is responsible for 60% of the export in the region and their tobacco is exported to countries including Cuba, France, Algeria and Spain. (Photo by Kristian Dowling/Kristian Dowling)

Na aankomst op Java trad George in dienst als controleur bij het Binnenlandse Bestuur. Hij had een verloofde in patria, maar liet de vrouw niet overkomen. Omdat de omstandigheden in de binnenlanden te primitief waren voor een Nederlandse vrouw, verbrak hij zelfs zijn verloving. Of was hij getroffen geraakt door de schoonheid van de vrouwen van het land?

Hij klom snel op de bestuursladder en kreeg na enkele goede rapporten het district Djember van de afdeling Bondowoso onder zijn toezicht. Op zekere dag bracht de resident van Besoeki een bezoek aan de koffietuinen van het gouvernement in Birnie’s district. De resident klaagde dat er grote schade was aangericht door de ‘zwarte apen’, die volgens hem te massaal in de schaduw van de bomen zaten. George Birnie schreef die avond in zijn dagboek, dat hij als ambtenaar bij te houden had, dat er sedert het bezoek van den resident geen apen meer in de gouvernementstuinen te zien waren.

Het gouvernement waardeerde de humor niet en stelde overplaatsing voor naar een ander district, mét weliswaar een verhoging van het traktement. George Birnie zag er een straf en verbanning in, nam ontslag en verliet voorgoed de gouvernementsdienst om voor eigen rekening te gaan werken.

Als controleur had George veel visites op plantages afgelegd en gezien dat in Djember de bodem in dialoog met de lucht erboven uiterst geschikt was voor de tabaksplant. Het was er dunbevolkt en de grond was nauwelijks in cultuur gebracht. Aanvraag van gronden was onnodig in die tijd. George ging er aan de slag met twee compagnons, die later werden vervangen door een neef en naamgenoot van zijn vroeggestorven oom Gerhard David. Hij koos eerst de droge velden en liet die door de bevolking beplanten. Allengs liet hij bossen kappen en de grond geschikt maken voor de aanplant, zodat zaadbedden konden worden aangelegd en zaailingen aan de bevolking worden uitgegeven. Na het uitplanten werden de velden in de periode juli tot oktober nauwlettend geïnspecteerd op vervuiling, beschadiging door rupsen en vernieling door mensen. In die periode kreeg het Djemberse vaak regen of zware mist te verduren, als voorloper van de westmoesson. Daarna kon worden geoogst. In de overige maanden kon de bevolking de gronden vrij gebruiken voor het verbouwen van rijst. Betaald werd naar het aantal geslaagde tabaksbomen, wat neerkwam op ongeveer de helft van wat werd geplant.

George pionierde met zijn werkwijze door het invoeren van een tabakscultuur waar anders de bodem onbenut bleef. Maar hoe kreeg hij de bevolking zo ver dat ze voor hem gingen werken? De Javaanse bevolking nam doorgaans niet méér aanplant aan dan strikt noodzakelijk was voor hun levensonderhoud, een gezonde houding zou ik zeggen, tegenover de winsten die de Europese planter voor ogen stond. George had dus te leven met de bevolking en diende hun doen en laten te leren kennen om ze met inachtneming van respect aan het werk te krijgen voor zijn tabak.

Hij leefde onder tamelijk primitieve omstandigheden, liet geen grote administrateurwoning bouwen, zo’n koloniaal paleis met Griekse zuilen dat je op foto’s uit tempo doeloe (= de goede oude tijd) kunt zien, met tuin, oprijlaan, koetshuis en overige bijgebouwen. Zelfs een huis van steen was er nog niet bij. De woning van zijn onderneming was gemaakt van bamboe en gevlochten palmbladeren, zoals de kamponghuisjes van de bevolking.

Soms kwam George van Djember afzakken naar Soerabaja, na enorme verliezen te hebben geleden op de investering in de plantages. Plukkend aan zijn baard kwam hij bij zijn zakenvrienden aan tafel zitten met het voornemen de hele boel te verkopen en zijn fortuin elders te gaan zoeken. Maar na een verfrissing en een peptalk van deze of gene in het bloedhete Soerabaja kwam George dan maar weer eens overeind, wuifde zich koelte toe met zijn hoed en stelde de vendutie nog maar een maand uit.

Toen hij op zekere dag een schare vrouwen en meisjes nodig had voor het werken in de schuur, zag hij dat ze angstig voor hem wegscholen. Wat was er aan de hand?

Een oude Javaanse vrouw maakte gebruik van haar gezag en wees hem beleefd op zijn enorme baard.

Onder de vrouwen die zich voor hem hadden verscholen, bevond zich Rabina, dochter van Pa Grimin en Sayeh, geboren op 18 augustus 1844 te Gambangan, Penaggoengan, afdeling Bondowoso. Rabina moet erg jong zijn geweest, een jaar of zestien, toen de slavernij werd afgeschaft en zij als huishoudster in dienst trad bij het harige spook, dat zijn baard had afgeschoren en was veranderd in een aantrekkelijk gepolijste blanke man.

De tabakscultuur bracht Djember geleidelijk welvaart, er werden karren gekocht, er werd vee aangeschaft en men bouwde degelijker huizen. George liet een familiehuis bouwen, waar hij met Gerhard David en voltallige families in kroop. De neven staken ‘s avonds de koppen bijeen, omdat ‘wilde tabakkers’ in de omgeving neerstreken. Deze concurrenten namen het niet zo nauw met inferieure tabaksplanten, betaalden de koelies hoger en dreven zo de marktprijzen op. George Birnie zag zijn tabaksbedrijf in gevaar komen, liet Gerhard David op de landerijen passen en kocht een huis in Batavia, het centrum waar je moest zijn voor je lobby met het gouvernement, dat zich intussen door middel van wetgevingen met de cultures was gaan bemoeien.

In Batavia resideerde ook Busken Huet, voormalig redacteur van De Gids onder E.J. Potgieter. Busken Huet was na enkele geruchtmakende publicaties uit de redactie van De Gids gestapt, gevolgd door een aan hem loyale Potgieter. Na publicatie van een te erotisch getinte roman had Busken Huet zijn dieptepunt in Nederland bereikt. Hij kwam in 1868 in Batavia aan en werd er journalist voor de Java-Bode. Daar ontwikkelde zich een nieuw schandaal. Zijn reis naar Nederlands-Indië bleek betaald te zijn door de Minister van Koloniën, die hij als tegenprestatie voor de regering in het moederland zou adviseren hoe de Indische pers het beste in toom kon worden gehouden. Toen in 1872 de Java-Bode van eigenaar veranderde, vond Busken Huet het tijd worden om een eigen dagblad te lanceren. Om financiële steun voor zijn krant te verwerven was hij afhankelijk van onder meer bankiers, suikerfabrikanten en rijke, conservatieve planters uit de Oosthoek van Java, die een liberale koloniale politiek schuwden.

Ook George Birnie was gebaat bij het voortbestaan van een behoudende krant en steunde Busken Huet dan ook met geld. In april 1873 verscheen het eerste nummer van het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië. Busken Huet had in Batavia een fraai huis gekocht, waar zijn vrouw Anne de boel bestierde met meer dan tien personeelsleden. De man beschouwde het bezit van de Indische kolonie als zo’n beetje het enige waarom de rest van de wereld Nederland mocht benijden. Maar echt thuis voelen deed hij zich niet in Nederlands-Indië. Van maandag tot en met zaterdag reed hij met zijn koets om zeven uur ’s morgens naar het redactiebureau in de Bataviase benedenstad, om pas tegen zessen weer thuis te komen. De avonden vulde hij met het schrijven van artikelen en feuilletons voor zijn krant, en met lezen. Ook zijn vrouw Anne schreef feuilletons, wellicht als ghostwriter, dat zou moeten worden uitgezocht.

Het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië leek een succesvolle onderneming. Maar volgens Olf Praamstra, de biograaf van Busken Huet, is dat niet waar. Het bewijs hiervoor vond hij in de brieven die Busken Huet schreef aan George Birnie, waarin de literator een heel andere toon aanslaat dan in de brieven die hij aan zijn literaire bondgenoot E. J. Potgieter in Nederland stuurde. De brieven aan George Birnie staan bol van gebedel om geld, compleet met inkomstenstaatjes.

Het aantal abonnees van het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië was te laag om de krant draaiende te houden. Busken Huet zag bovendien geen kans te repatriëren naar Nederland, nu zijn zoon Gideon veertien jaar was en hij het hoognodig achtte dat die beter onderwijs ontving dan in Batavia voorhanden was. George Birnie vond dat deze criticus ook wel een beter lot verdiende dan de rest van zijn leven als journalist in Batavia te moeten slijten. Busken Huet wilde een rol gaan spelen in het politieke leven in Nederland en schreef, voor mij nogal verrassend, dat hij een einde aan de bourgeoisie wilde maken en met de oprichting van een landelijke organisatie van arbeiders een nieuwe stem aan de Nederlandse politiek wilde geven. George Birnie stemde ofwel met die plannen in, of had gewoon met de man te doen. Hij leende hem het geld om zijn schuldeisers af te kopen, zodat Busken Huet zijn zaken in Indië kon liquideren.

Ook George Birnie maakte zich op voor een terugkeer naar Nederland. Nu was het eenvoudiger om met een blanke vrouw terug te keren dan met een Javaanse. Dat spreekt overduidelijk uit een brief van Anne Busken Huet aan de zuster van E. J. Potgieter, kort na diens overlijden op 3 februari 1875. De brief volgt hier integraal.

Batavia, 18 Maart 75.

Lieve Sophie,

Na uw eerste droeve tijding heb ik nog geen nader berigt van u kunnen ontvangen, toch wil den mail, die heden van hier vertrekt, niet laten gaan, zonder een woordje aan u mede te geven. –
Gij kunt u niet voorstellen welk een treurig gevoel het is, nu verder niets van u af te weten, van hoe gij het maakt en wat uwe plannen voor de toekomst zijn. In het lieve oude huis zult gij wel niet blijven, dat zal u te groot zijn, vrees ik. Ik weet dus volstrekt niet meer waar, of hoe, ik u mij voorstellen moet: noch ook hoe veel leed gij hebt gedragen bij het verstoren en wegnemen dier wereld van souvenirs waarin uw lieve doode zijn ganscher grooten geest had afgedrukt, en die ik zóó gaarne nog eenmaal weer in hun geheel had aanschouwd: ach, Sophie, uw broeders heengaan heeft de eenige bekoring welke Holland voor ons had weggenomen; en wij zouden lust hebben er niet weer heen te gaan. Zeg het aan niemand: doch het is zoo. Wie zal Huet met ware hartelijkheid te gemoet komen, buiten die eenige, die alles vergoedde, en die het niet meer doen kan. – Toch zouden wij zoo gaarne met u zamen zijn. Ik wil u daarom van onze plannen vertellen, om te zien, of het mogelijk zijn zou, ze eenigzins met de uwe in overeenstemming te brengen. – Ik zal u dus, in vertrouwen mededeelen, dat Huet, reeds eenige maanden geleden, een zekeren heer Birnie beloofd heeft, voorloopig althans, de wintermaanden met hem in Italië te zullen doorbrengen. Daarna zullen wij waarschijnlijk naar Zwitserland gaan, om Gideon op school te brengen, en ook daar eenigen tijd vertoeven. De reden nu waarom mijnheer Birnie er zoo op gesteld is, ons gezelschap te genieten, zal ik u nader verklaren. Mijnheer Birnie heeft hier zijn fortuin in de tabak gemaakt. Hij bezit eenige tonnen in de wereld, en gaat nu in Europa van zijne renten leven. Tot zoover is alles goed; doch er is een drawback; en wel deze; de man is getrouwd met eene Javaansche vrouw, bij wie hij, ik geloof, 8 kinderen heeft, en die hij, op aanraden zijner familie en ter liefde van zijne kinderen, voor een paar jaar heeft gehuwd. Die vrouw, zij spreekt zelfs niet anders dan maleisch, is volstrekt ongeschikt om een Europeesch huishouden te drijven; zelfs vertrouwt hij haar de opvoeding zijner kinderen niet toe; deze gaan alleen naar eene zijner zusters te Zwolle en gaan daar naar school; alleen de allerkleinsten houdt zij bij zich. Ziehier de ramp van dezen vermogenden, welontwikkelden en zeer interessanten man. Nu heeft hij, – aan wien Huet in zijne zaken veel verpligting heeft, – ons voorgesteld, in zijn gezelschap te reizen en voorloopig met hem zamen te blijven; en wij hebben dit beloofd. Wij kunnen daarvan dus onmogelijk af. – Maar nu is er eene andere vraag. Kunt gij niet bij ons in Italië komen? Voor uwe gezondheid was dat zeker goed. Tegen het einde van October komen wij te Napels aan. Zeg dat gij komt, dan reist Huet u te gemoet. Het zou ons ontzaggelijk veel genoegen doen, indien gij er toe besluiten kondt. Wat hebt gij alleen in het sombere kille Amsterdam? Die vrouw zal ons niet hinderen; zoo iemand is net een groot kind; daarbij heeft zij hare kindertjes, om zich mede bezig te houden, en gaat er waarschijnlijk nog een jufvrouwtje van gezelschap voor haar mede. Ik heb alleen beloofd: haar te protégeren en het oog over haar te houden. – Al hetgeen ik u hiervan zeg, weet niemand anders; het is meneer Birnie’s geheim; en gij moet het stipt voor u houden. – O wat zou ik hierop gaarne een gunstig antwoord van u krijgen; aan eene gewone Hollandsche, Amsterdamsche dame, nog wel, zou ik het niet durven voorstellen; maar aan u, dat is heel wat anders. Het zou zoo goed voor u, en voor ons allen zijn.
En hiermede eindig ik voor dezen keer; vreezende dat mijn brief anders te laat in den bus komt. Dag, lieve Sophie.
Uwe zeer hartelijk liefh.
Anne.

George Birnie en Conrad Busken Huet maken zich op om in september 1875 samen met hun gezinnen naar Europa terug te keren. Om een of andere reden gaat de gezamenlijke reis niet door. De dood van Potgieter snijdt, zoals Anne aan Sophie schrijft, bovendien de laatste fysieke band door die Busken Huet nog met Nederland heeft. De vriendschap tussen George Birnie en Busken Huet is een goeddeels zakelijke en de scheiding van het tweetal is nauwelijks pijnlijk te noemen. Busken Huet komt uiteindelijk in Parijs terecht, waar hij de laatste tien jaar van zijn leven zal slijten.

George Birnie heeft zijn huis in Batavia verkocht, gelegen aan de westkant van het Koningsplein, waar ook de familie Couperus, onder wie de latere schrijver Louis nog als jochie, van 1872 – 1878 woont. Het beheer van de onderneming in Djember wordt aan neef Gerhard David overgedragen en George vertrekt, dus zonder de Busken Huets, met Rabina naar Europa.

Om Rabina aan die andere wereld te laten wennen, trekken ze eerst naar Napels. Ze logeren er een maand of negen in Hotel de Russie aan de Corso Vittoria Emanuela nr. 8. De kinderen zitten, neem ik aan, dan bij hun tantes in Deventer.

‘Zeg Rabina,’ vraagt George op een dag, ‘wil je vanavond niet meegaan naar de Opera?’

‘Opera, opera, watte geven? Faust? Ouwe man met dikke boek (buik). Dank je hartelijk.’

George schreef in één van zijn brieven dat het bijna niet mogelijk is zich straffeloos te onttrekken aan het milieu waarin men geboren is, of waarin men later meer dan een halven menschenleeftijd heeft doorgebracht.

Het liefst was hij vanuit Italië linea recta terug naar Djember gegaan, maar het leek hem onvermijdelijk de familieonderneming vanuit Nederland te moeten gaan leiden. Uiteraard zag hij al voor zich dat hij een probleem zou krijgen met zijn vrouw in Nederland. De vraag waardóór dat probleem kon bestaan, hoeft onderhand niet meer gesteld worden. Racisme is natuurlijk niet langer incidenteel te noemen. Zo veel zijn we de laatste honderd jaar wel opgeschoten.

In de zomer van 1876 krijgt de bijna 32-jarige Rabina eindelijk het moederland van haar man te zien. Aanvankelijk wonen ze in Velp. In 1880 betrekken ze een door George aangekocht familiehuis aan de Brink te Deventer.

Zoals George met zijn baard een opvallende verschijning was in Djember, zo was Rabina dat nu in het Overijsselse. Bij een wandeling op De Brink in Deventer riep een straatjongen naar haar: ‘O, wat ben jij vies!’

‘Ik heb bruine huid,’ antwoordde Rabina, ‘maar heb gewassen. Ik niet vies, jij niet gewassen, jij vies.’

Een dergelijke scène zou niet hebben misstaan in het proza van Dé-lilah. Helaas heb ik zelfs in haar proza, dat 2000 bladzijden telt, geen voorbeeld kunnen vinden van hoe Javaanse vrouwen zich bewogen in burgerkringen in Nederland. En als je het al niet bij de volkomen onterecht vergeten Dé-lilah kunt vinden, dan vind je het waarschijnlijk verder nergens.

* * *
Bronnen:
Joop van den Berg: Dé-lilah, een vergeten schrijfster van ruim 2000 pagina’s Indisch proza. Amsterdam: Uitgeverij De Buitenkant; Uitgelezen boeken, katern voor boekverkopers en boekenkopers, jrg. 6 nr. 2, juni 1996. Of, verkort, in Indische Letteren, 12e jaargang, nummer 2, juni 1997: Dé-lilah, een vergeten schrijfster van ruim 2000 pagina’s Indisch proza.

Elisabeth Birnie. De Birnies. Twello, 1992 (eigen beheer)

J.J.P. de Jong. De waaier van het fortuin. Den Haag, SDU: 1998

Olf Praamstra. Gezond verstand en goede smaak, de kritieken van Conrad Busken Huet. Amstelveen: 1991. Bij het ter perse gaan van dit nummer beschikte ik nog niet over de jongste biografie van Olf Praamstra over Conrad Busken Huet en ik kon dus nog niet nagaan of hij de onderhavige brief van Anne Busken Huet misschien (in zijn geheel) heeft geciteerd, wat overigens het geval is. De brief van Anne Busken Huet ontving ik in 2001 per e-mail van Olf Praamstra, de biograaf van Conrad Busken Huet.

* * *
© Dit artikel verscheen eerder in De Gids van mei 2007

Indisch leven in Nederland

Indisch leven in Nederland
Annemarie Cottaar (samenstelling en redactie)
Amsterdam, uitgeverij Meulenhoff, 2006
Paperback, 256 blz, geïllustreerd
Cover Suzan Beijer
Foto omslag / schrijver: HBM / Alfred Birney
ISBN: 90 290 7550 3
Uitverkocht

Indisch leven in Nederland is een bundel met bijdragen van vooraanstaande publicisten die alle op een of andere manier betrokken zijn bij het naoorlogse Indische leven in Nederland. Het boek zit vol uniek fotomateriaal. Geen palmbomen, vulkanen en patriciërswoningen, maar Hollandse bakstenen, tafelkleedjes en aanrechten met verhalen van acht publicisten uit diverse disciplines. Het boek kwam tot stand onder redactie van Annemarie Cottaar, die als historicus verbonden is aan de Universiteit van Amsterdam. Bijdragen aan het boek komen van Alfred Birney, Jan Blokker, Siem Boon, Adriaan van Dis, Basha Faber, Helga Ruebsamen, Ricci Scheldwacht, Anneloes Timmerije en Hans Vervoort. Tjalie Robinson is postuum ook van de partij.

De auteurs kregen in het afgelopen jaar elk een serie foto’s voorgelegd waaruit zij een keuze mochten maken, om er vervolgens een tekst bij te schrijven. De foto’s zijn afkomstig uit de Indische Collectie van het Historisch Beeldarchief Migranten.

Alfred Birney kreeg tientallen foto’s van Indische mensen met gitaren voorgelegd, haalde er een dozijn uit en schreef een lang verhaal over de rol van de gitaar onder Indo’s, vanaf de tijd in het voormalige Nederlands-Indië via de jaren vijftig en zestig in Nederland tot op heden.

Enfants d’Asie

Enfants d’Asie Contes, légendes et reportages pour les cultures et la vie quotidienne des enfants d’Asie du Sud-Est
Patrice Amen (dir de la publication)
Milan Presse: 2005
Numéro spécial de Toboggan Magazine, 128 pages
Solidarité Latique
100.000 dessins pour les énfants d’Asie
Order: Solidarité Laïque

Les bénéfices de la vente de ce magazine seront intégralement reversés aux enfants sinistrés de l’Asie du Sud-Est. Avec: Anne de Bouchany, Alice Liège, Judy Sierra et les éditions Gallimard. Claude Clément, Denise Ehrhardt, Jérémie Salinger et les éditions Gründ. Meera Uberoy, V.K. Karthika et les editions Penguins Books India, ainsi que Catherine Lapautre de l’agence Michalle Lapautre. Jania Le Saché des éditions musicales Arb Music. Jaqueline Miller de Jacqueline Miller Agency.

Ainsi que Alfred Birney, Paula Gomes, Albéna Ivanovitch-Lair, Renny Yaniar, Kamala Wijeratne.

Writers on writing

Writers on Writing
The Art of the Short Story
Maurice A. Lee (ed.)
Praeger Publishers: 2005
Hardcover, 270 pages
ISBN: 0-313-31592-2
Greenwood Publishers

Short stories have enjoyed a long and popular history, with many famous writers attempting the craft at some point or another. Here, Lee assembles a variety of writers who comment on the form itself and its many meanings and manifestations. Concentrating on the features and challenges of the short story, contributors from Amiri Baraka to Richard Ford and Jayne Anne Phillips to Janette Turner Hospital, discuss their own writing, the writing of others, the short story form, gender, politics, and other issues concerning the writing of short fiction. Readers will come away with a fuller understanding and appreciation of the craft of the short story writer.

Taking a populist approach to the subject, Writers on Writing focuses on relaying to readers the truth about short story writing. Writers from around the globe reveal the secrets of the form and their own approaches to it, as well as criticism of other writers and their output. Challenging some of the traditional views of past and current critics about short fiction, they present a new outlook on the short story that speaks to both the short story writer and the short story reader.

Table of Contents:
Acknowledgments
Dedication
Introduction
Preface
The Short Story: Definition
Relationship of Writer to Short Story
Storytelling: The Short Story and Pedagogy
Culture and the Short Story Form
The Short Story and Politics (contribution by Alfred Birney
The Role of Gender in Short Story Writing
The Short Story: Process of Discovery
The Short Story: Why We Write
The Short Story: Form
The Art of the Short Story
About the Contributors

* * *
Some time ago, 2000, we had Indian Summer, I attended the Sixth Short Story Conference in Iowa, USA. Writers, critics, teachers, translators and students gathered around to discuss the genre of the short story in English. Writers came from all over the world; the experience was great, even great enough to write about in my book Yournael van Cyberney (only available in Dutch).

Maurice A. Lee, for 10 years in a row now the director of the SIXTH INTERNATIONAL CONFERENCE ON THE SHORT STORY IN ENGLISH, came up with the idea to ask each author to write an essay on the short story genre. One doesn’t need much imagination to understand that it takes a long time to get all the needed stuff on your desk before you even can start thinking about how to make something out of that so it can be presented in a book that really makes sense. Any book of importance needs time to develop anyway.

The book contains 33 essays, covering a huge spectrum of issues on the genre of the short story. Among the writers are Amiri Baraka, Jayne Anne Phillips, Lucy Ferris, Janette Turner Hospital, Vincente Soto, Richard Ford, Clark Blaise and some 25 more, including myself. There is plenty of stuff in there to talk about during Views from the Edge: the Short Story Revisited 9th International Conference on the Short Story in English June 21-25, 2006, which will be held in Lisbon, Portugal.

But not only that, since there is so much to learn from what writers say about their art, especially for critics, students, teachers and those who dream about a career as a writer. The website of Greenwood Publishing Group contains a quick search engine, should you not be forwarded directly to the page where to order the book. In that case just fill in the name of Maurice Lee and you’ll find the information about the book (hard classic cover).

* * *
 


Alfred Birney
APARTHEID IN LITERARY CRITICISM
essay translated from the Dutch by Wanda Boeke

If someone were to ask me about setting records, I’d look at how long it took me to write a short story or a novel. My speed record for the sprint lies at three days, for the distance run nine months. So, not unusual. My records for slowness are more interesting. I worked for twelve years on my longest novel and needed just as much time to write one of my short stories. It’s somewhere in the middle of my only collection of short stories, one of my finest books and also the only one that was really hard for me to get published. My publisher was impressed by the style and the variety, but didn’t publish it without reluctance. Why? Because short stories barely sell in the Netherlands. Is that true?

Short stories have their history. If you wanted to become a writer in the mid-seventies, the rules were set. It was ideal to start with poetry, consequently to devote yourself to the short story, and then make the jump to the novel. Almost all of the current arrives, they said, had taken that route. Poetry as an exercise in style, the short story as a finger exercise. In this context, poetry was of course dutifully considered the highest form of literary art, but it was particularly novels that were talked about in the literary salon. Between these genres lay the no-man’s land of the short story.

If a positive aspect did cling to the writer’s traditional route, it would be that particular attention was paid to style. Unfortunately, style was primarily understood to be an erudite way of writing. If you could manage to suggest that you knew your classics well, in playful references for instance, you were sitting pretty. In any case you proved you weren’t just somebody off the street. Of course with the Western classics as your stock-in-trade, the rest of the world didn’t count.

It was a time during which people no longer spoke of short stories, but of texts. Thus you submitted a text to a literary journal. The editors of these journals, usually writers themselves, reviewed the text and returned it to you with a comment about your style, and, in the best case scenario, the invitation to submit something else sometime. A short story in which something was related was called anecdotal, was a shame and a sin, and went straight to hell, the waste basket. Only with a short story in which nothing happened did you prove you were able to write, precisely by having nothing happen.

Making a debut in one of the literary journals was important. After all they were published by the big publishers in Amsterdam. There they could keep close track of your evolution as a writer and see whether something had already been written about you in the papers, whether the most influential reviewers already had you in their sights. If that were the case, then you could come by to talk sometime. Quick to publish they were not. You were the wine that had to age in their cellars. And then in such a way as to evolve somewhat along their norms. After all: you were destined for their stable, awaiting you was the seal of approval of their label, your passport to the literary press.

At that time you saw no writers from minority groups making their debut among the established publishers. Those writers spoke another kind of Dutch, and, what was worse: they really had something to relate, particularly stories that people in the Netherlands preferred not to hear or that simply left them indifferent. These writers could go to the smaller, idealistic publishers who would later see them leave in turn for the wealthier publishers, once these last started smelling money.

In the seventies a novel or a collection of short stories could wait around on the bookstore shelf for seven years to be discovered by the public. At the moment, it’s seven weeks. The process was first reduced to two years during the eighties when literary publishing was starting to become big business. Writers were no longer judged on their work alone, their image began to be seriously taken into account. Images have faces and, if necessary, can get by with even less content than a literary finger exercise. So the barrels in the cellars of the literary journals began to rot. People had to come out from behind their editing desks and go out to cast their nets. From now on, the fish had to be brought ashore right after the catch, salted and ready to eat.

This was a hard blow for poetry. From now on people would be flipping through the literary journals in search of short stories. Was the short story reevaluated because of this? No. Just the opposite, since you only had to write one, as a kind of test. One good short story had to carry an entire collection full of hackwork and crap. More than ever before the short story was a jump to the novel: the genre it was ultimately all about and is nowadays practically exclusively about.

As such, it is strange that precisely now in this day and age, when information is increasing by the day and people want to consume more and more information through various channels, that the short story is not being taken very seriously. It wouldn’t surprise me that all the buyers of those fleshy megasellers and all the reviewers who discuss those books also watch television in the evening, surf the Net for an hour or so, go down to the local bar, and go to concerts, or museums, exhibits, and whatever belongs to a so-called cultural life. With such a way of life, it would appear the short story genre would fit in excellently.

It seems strange, but a fleshy novel lets itself be read faster, for the purposes of interpretation that is, allows for flipping through the pages that are not as convincing. A short story collection presents a much tougher conquest: the reader has to start a new book, as it were, with every story. Plus, a good story has no sentences and certainly no pages that can be skipped. It doesn’t allow itself to be easily consumed, if it’s good it demands rereading. A collection of short stories by one writer requires more time and attention from the reader as well as from the reviewer’s capacity to say something sensible about it. Evidence of this is the greater attention paid to anthologies. The reviewer plucks out a couple of writers and leaves the rest for what it is. My short story collection, after reading by a reviewer, even yielded a pretty good story. More about this later.

When I started writing seriously, which means to say, writing with an eye to publishing, I had a problem. This may sound a bit ambiguous, but I had a pretty large arsenal into which I could delve. Complex too. My father was born in the former Dutch East Indies, my mother in the Netherlands. They met each other in the Netherlands after the Second World War and there gave me life, or life me, an unspoken question that resonates all through my work.

Let me touch on my parents for a moment. In most cases involving an interracial marriage, the relationship was as follows: the husband was Dutch, the wife, of mixed descent or not, was from the Dutch East Indies. With my parents, it was the other way around. My mother, as a white woman, was regarded with suspicion whenever she went down the street with her brown brood. And my father, an Indo , was thought of as an exotic creature that had better beat it, back to his country of origin, and best keep his paws off a white woman. That in the Dutch East Indies he, a man of mixed Eurasian descent, already had a European passport and had fought in that patriotic capacity on the side of the Dutch during the Indonesians’ struggle for freedom, is something about which people here in Holland knew nothing. They had had the German occupation and anybody with a different history wasn’t listened to, certainly not if something “colonial” clung to that history. That the Netherlands owed its prosperity in large part precisely to that former East Indies colony, they simply neglected, for the sake of convenience, to teach in the schools.

The war in the Dutch East Indies—first the Japanese occupation, then the Indonesian fight for liberation, and finally the exodus of 300,000 Eurasians who took refuge in the Netherlands—had traumatized my father to such an extent that it was no longer in the cards for him to lead something like a normal family life. Problems with the social life in Holland, so different in the country where he was born, the communication problems with his wife, even though they spoke the same language, the racism that his children also had to undergo, and particularly the persecution complex, of which he suffered spells, made him impossible to live with from time to time. He persisted too much in the idea that raising his children with a hard hand would make them tougher later on. His rigid physical punishments hardly fit in with the culture in which he had ended up. And his craziness didn’t at all. I was thirteen when our family fell apart. We, the children, had to spend the rest of our youth in homes.

A new life, far away from the stories about the war that my father had slapped on our plates for dessert after dinner every day. Another noise replaced it: the toughness inside the home’s walls, where unwritten laws had more weight than written ones, where you had to fight for your place among twelve boys in a section, all of whom were supposed to be kept in line by a single group leader. Another existence, no less other-worldly than the life in the previous, culturally mixed family, where culture clashes and veiled racism between spouses were beyond a child’s comprehension. Thus at eighteen I was weighed down by my own youth-home past while I also carried the baggage of my parents’ former home and of my father’s war in the Dutch East Indies along with me. And then the world looked pretty nasty to boot. At some point I had at least developed a liking for the trees and fields around the walls of the home. Now I roamed from city to city and loathed every place I ended up. It would take another ten years before I found the peace of mind to live somewhere for longer than a season. And so I also found the peace of mind to start writing. By then I had turned thirty, it was getting to be time. But what was I supposed to start writing about?

A bad childhood is a gold mine for a writer, they say. This doesn’t mean that you can just wipe your hands on the paper, though. People who want to tell their life story can, possibly without much love of the writer’s craft, casually toss that story off on paper and enter the top ten book lottery with it. The novel is an excellent vehicle for this. Certainly these days when a book primarily has to be fat, not to mention fleshy. Lots of words about a catchy issue for an attractive sales price. Such books will get even the foremost critics off on the wrong foot. You tend to find these books a lot among the current bestsellers. Some of these fortunately come from immigrants and second-generation immigrants and are applauded not so much for their literary value, about which they otherwise can’t say enough, but presumably for the counter-propaganda that such books implicitly contain. Dutch critics are pretty much all white and I can hear them quietly cheering: you see what a beautifully democratic and open-minded country we are? They devote entire pages of newspapers to one book like that, profiling themselves as progressive or at least culturally correct, and the next day they get back to producing their drivel with their traditional Western thinking and, in particular, feeling?

Of course stories do still get published. But then primarily by novelists who want to keep their fingers warmed up in between enterprises and callously slap their collections of metroprose on the market, stories that, like a hamburger, you consume between stops 1 and 3. Stories that are bland, but at any rate have a famous name printed at the top. If writers themselves don’t take the short story seriously, then reviewers could hardly be expected to be lagging behind.

I am not jumping to rally behind the overworked, mostly wooden exercises in style that once made the literary journals all but unreadable. Linguistic art without a clear story line can be fascinating, but then particularly to those who want to learn how to write or to those who have read so much by now that virtuosity is the only thing that can still enchant them. When I started writing my first stories, I was very preoccupied with form and style. This way of working offered me the great advantage of not having to busy myself with the past, my own, my mother’s, or that of my father and his Dutch East Indies plantation owner’s family, and certainly not with something like the color of my skin. So, I, too, learned to write a text with a disdain for the narrative element. I didn’t make a habit of this because I wanted to tell tales, they had to come out. So I began to look for a balance between form and content. Was I looking for something akin to the literary golden mean? No, I try to unite talent and baggage, and in essence I’m talking about something completely different.

Reviewers seem to have at their disposal a left eye for form and a right eye for content. With the left eye they view the stories of “autochtone” writers. With the right eye stories by writers referred to as “allochtones” in the Netherlands (in order not to have to use the word “immigrant” or “second-generation immigrant,” which is evidently not done and as far as I’m concerned is pretty hypocritical). Now that right eye is pretty lazy. It has no trouble seeing the works of immigrants from non-Western cultures. It sees, but this is different from recognizing. Still, both eyes have difficulty with the work of writers who harbor a mixed Western and Caribbean or Western and Asian culture. Indo writers fall under this last group of mixed-bloods. So I do too.

Stories in Dutch literature that take place in the low countries are usually boring. The themes hardly differ from those in other European literatures. Interesting in itself, but many Dutch stories miss brille, have no schwung. Colonial and postcolonial literature is far less boring, and stronger: stories from this quarter can oftentimes be described as spectacular. It is not by chance that the Dutch masterpieces wholly or in part take place in the Dutch East Indies. These are the pilings on which all of Dutch literature rests.

Ultimately, content always rates. Life was simply less boring on the other side of the ocean. The colony tempted the Dutch to excesses that would have been unacceptable back home. You only need to read a few stories from colonial literature to run into lawlessness, immorality, corruption, misogyny, murderousness, hunger for power, the practice of magic, racism, sexism, linguistic conflict, ridicule, and slander. Are these then also the motives they expect of a postwar, postcolonial Indo author? I’m afraid so. I believe people at any rate want to see a sequel, although preferably one captured by a problematic perspective. If you have a mixed-race background, then you must have a problem. If not, you’re not playing the game. So a familiar dilemma arises: do you represent your father’s group, your mother’s, or both? And: if you represent both groups, does it naturally follow that you are doing the most right by yourself and your craft? I’d rather turn it around and say that I somehow represent both groups, as long as I remain true to myself. This seems to me, at any rate, to follow naturally.

Why didn’t you give your story a Eurasian setting? I was asked this question when I published my first story in a particular journal that had space for stories in which something could be related. My answer was that for me there was no reason to decorate the story with Indisch wallpaper, because the story didn’t need it and didn’t demand it. When I later published a story about a roots-trip to Indonesia in a newspaper, the question ran: Why are you writing about your being Indo now? That’s not what you started out doing. In short: staying quiet about my background raised questions and the opposite did as well.

Every reader is acquainted with the phenomenon of wanting to resist when starting to read a story. This is the reader’s normal challenge to the story: Come on, just try to win me over. The issue here concerns another kind of resistance, though. They don’t want to be won over, they just want to read what they want of yours.

Before my first collection of short stories came out I had published only novels. Going on how my novels were received, one thing had become clear: there were reviewers who only discussed the novels I wrote with an obviously contemporary “Dutch” orientation and there were those who were interested only in the novels with a clearly “Indisch” or postcolonial orientation. Exceptions to this apartheid were not to be found in the Netherlands, but in Belgium, where people speak the same language but are at any rate not saddled with a colonial past in Asia, putting aside their own colonial past in Congo for a moment. Thus the reviewers who managed to put their finger on one overall theme that recurs in all my stories and novels, were living abroad. They called it simply “alienation,” a theme that can be found in the whole of world literature. This theme can be linked to issues surrounding someone’s origins, past, sex, sexual preference, neuroses, fantasies, or craziness, in short everything you could possibly imagine. Alienation knows no mainland, alienation seeks it. And as long as one hasn’t been found, alienation itself is the mainland.

Of course the reader does have the right to be able to place the alienation that dominates my protagonists. At least I give the reader the mainland of language and story. However, reviewers, professional readers, want more. They in turn want to show the reader that they totally understand if not see through the writer whom they are discussing. This is why writers who clearly profile themselves, in whatever way, are easier for reviewers to discuss than those whose work breathes a personal synthesis of the diverse cultural influences they have undergone.

When I write a story without an explicitly Indisch accent, then this story will still always have been written by someone who carries Indisch accents inside. Coming from my background, I naturally place different accents, even without bringing that background explicitly to bear. And this is precisely what people do not have or do not wish to have eyes for. I don’t think that I have to place a ghost story or whatever against an Indisch background in order to make it more believable for a Dutch reader. A ghost story is not unusual in Indo circles, but in Dutch circles it still is. This is why ghost stories preferably have to come from abroad. Or from a writer like myself, but then in fact situated in an Indisch framework. Then they can give you a place and you pose no threat to the “autochtone” authors, who have their own themes that people evidently wish to reserve for that group. We get magic, they get love.

In the Netherlands of today, where people are brimming with “multicultural remarks,” a separatism is utilized that goes way back in the country’s colonial history. It is not something like a mutual influence that people here wish to arrive at. No, they want everybody to keep their own cultures behind closed doors. You can tell from the books by, here we go again, “autochtone” writers who, during the time when the discipline of “philosophy” was in vogue, were bursting with references to the most far-flung Western philosophers. The stuff of Asian thought, in the best scenario, has been considered to be a nice expression of another culture, befitting “allochtone” writers. They can go ahead and write fairy tales, divert Dutch rivers, and have spirits floating around over the Amsterdam canals. The “autochtone” writer who does that is punished or else excessively applauded, particularly if he or she has actually experienced those “good old Dutch East Indies” as a white person, and is once more, the umpteenth in four centuries of literary enterprise, illumining it with his or her Eurocentric gaze. I wonder what the reviewers would do with a love story situated in the Dutch polder country, written by a Moroccan. Perhaps very loud applause because now at last that long-awaited multicultural dream has taken shape in the literature of the Netherlands? They will most certainly want to convene a symposium on this first. Briefly sniff at one another to see whether there’s a whiff of shame lingering around their seat.

As a writer of Indisch background, born and raised in the Netherlands, in fact neither “autochtone” nor “allochtone,” I am burdened with both my father’s as well as my mother’s heritage: an Indo from the former Dutch East Indies and a cobbler’s daughter from the southern Netherlands. I remember that my Dutch grandfather let me weigh nails in his shoe repair shop as a child. They were sold in little paper sacks for 5 cents to poor people who had to fix their shoes themselves. After twelve and a half years of being a practicing writer, I still see no need for a boy who’s weighing nails in his grandfather’s shoe shop to be given an explicitly Indisch background. I do have the choice, it’s true, depending on what I want to show. However, in this day and age each choice entails a disqualifying factor. If I give the boy a brown face, I no longer rate with Dutch letters. If I give the boy a white face, I don’t rate with Indisch or postcolonial letters.

Until now I have usually gone about it this way: I give my protagonists no face. What I do give them is a certain feeling of alienation, with the underlying question: What am I doing here? As a writer I want to be judged by my craft and not by my background, which gets printed in big bold letters on the jacket text of my books. White writers aren’t treated this way when they feel like situating a story in the former Dutch East Indies. Sure, they are permitted that kind of thing no questions asked and afterward they can cross back to the order of the day. Yes, why don’t you read those last four words one more time.

I still owe you something. When my collection of short stories was brought out on the market in the spring of 1999, reviews all but failed to materialize. This happens to other writers too, authors of bestsellers aside, but I really wasn’t ready for such a poor showing. In spite of this, the book sold no worse than my other work, so who would still want to argue that the Dutch public doesn’t like short stories? My publisher must have meant that the publishing house could also use another hefty dose of reviews to bolster its image a bit.

At this time I became acquainted with the Internet. My brother put up a Web site for me and E-mail started rolling in. One day a reviewer visited. He just wanted to say that he thought my Web site was nice. Well, thank you very much. An E-mail correspondence developed and he confessed that he was about to start reading my short story collection. For a time I heard nothing. Then he E-mailed me that he had read my collection, that he had enjoyed the style, but didn’t quite know yet what he was supposed to write about it. Why not? Well, he had no ready framework to hang the stories on. Admittedly: at that moment this still surprised me, because I remained naive for a very long time. The man advised me to have a press file ready for each new publication, preferably with a review of my older work against which the new work could be placed. In short, he was asking me if from now on I wouldn’t just write half the review for him, I would be making things a lot simpler. I already suspected it, that they were lazy, those reviewers.

I did not give the man, who incidentally belongs to the group of reviewers who only discuss my “postcolonial” books, the key to my stories. I do have my pride. A reviewer has to be worthy of my stories, ought to understand the art of reading. And what is a good reader? One who reads not only with the eyes, but also with feeling. I trust my public. They can appreciate my stories without any theoretical knowledge of short story writing, even without knowledge of the backgrounds of the mixed culture that a writer indirectly represents. A question of being open. As for my reviewers, who merely confirm my personal alienation, this at some point assumes acquiring a different way of reading. And so the question remains, who among the professional readers is prepared to learn to read all over again.

* * *
1. Indo is currently gaining favor as a term for someone of mixed Dutch and Indonesian (Indisch) origin. [Indisch pronounced In´diece]—Translator’s Note
2. The Netherlands is the only country to my knowledge that over the past decade has shed so many euphemisms to indicate persons of non-Dutch descent. Allochtone is the latest term for foreigner or a second-, even third-generation immigrant, whereby autochtone becomes the opposite (native).—Translator’s Note

This essay had been written on request in connection with the Sixth International Conference on the Short Story in English, held at the University of Iowa, october 12-15, 2000. Attending were Alfred Birney, Clark Blaise, Marion Bloem, Robert Olen Butler, Ethan Canin, Frank Conroy, Moira Crone, Ellen Douglas, Stuart Dybek, Deborah Eisenberg, Lucy Ferris, Diana Ferrus, Richard Ford, Diane Glancy, Juani Guerra, Janette Turner Hospital, Sarah S. Kilborne, Susan Lohafer, Charles May, James A. McPherson, Bharati Mukherjee, Chris Offutt, Jayne Anne Phillips, Francine Prose, Mary Rohrberger, Minoli Salgado, Mandy Sayer, Vincente Sota & Tobias Wolff.

Copyright © 2000, Alfred Birney