Yournael van Cyberney live op de Pasar Malam Besar

Lezing Studiedagen Indische Nederlanders VI dd 25 & 26 juni 2001: Het Indische na Indië; de onwettige tak van de Indische letteren binnen de Nederlandstalige literatuur, en de dominantie van Indische herinneringsliteratuur ten opzichte van hedendaagse Indische literatuur.

Wanneer je als thema ‘Indisch na Indië’ kunt bedenken, dan moet dat een grond hebben. Je zegt eigenlijk dat er ooit een Indië was en dat er iets Indisch over is gebleven. De opvatting dat Indië als bestuurlijk model vanzelfsprekend dominanter was dan Indië als mengcultuur klinkt erin door. Zou je Indië als mengcultuur vanzelfsprekend laten prevaleren boven Indië als bestuurlijk model, dan kon het thema genoemd worden: ‘Indisch nu na Indisch toen’.

Maar het thema luidt thans ‘Indisch na Indië’ en ik zou dan als subthema kunnen bedenken ‘Indisch na de Indische literatuur’. Dat zou dan suggereren dat de Indische literatuur passé is, maar dat er nog wel iets ‘Indisch’ nagalmt. Indische literatuur zou onlosmakelijk verbonden zijn aan Indië als bestuurlijk model en niet aan een gemengdcultureel erfgoed. Indische literatuur zou per definitie synoniem zijn aan koloniale literatuur met als krachtigste argument het Nederlands als voertaal. Omdat het Nederlands als taal ook invloeden heeft ondergaan uit het Maleis, zou je verwachten dat de Nederlandse literatuur eveneens dergelijke invloeden heeft ondergaan. Dat is niet zo, men doet alleen alsof. Men wappert wat met de namen Multatuli, Couperus en Haasse en laat het daar dan wel ongeveer bij. De rest vindt men al gauw te exotisch, om niet te zeggen: te Indisch.

In het ideaalste geval is de Indische literatuur algemeen bekend bij iedereen van wie aangenomen mag worden dat zij verstand van Nederlandstalige literatuur hebben. De nagalm vormt geen coda op een refrein maar een brug naar een volgend couplet binnen een literatuur waarin geen sprake meer is van enige dominantie van welke cultuur dan ook. Met dit Utopia in mijn hoofd ben ik ooit aan mijn literaire loopbaan begonnen. Helaas moest ik tot het inzicht komen dat beroepslezers nog ver zijn verwijderd van zoiets als multicultureel lezen.

Schrijven vanuit verschillende culturen is bijna vanzelfsprekend voor een Indische schrijver, ook als hij of zij zich dat niet bewust is. De huidige aandacht voor schrijvers ‘tussen twee culturen’ is een trend dat het idee ondersteunt dat schrijvers met een diverse achtergrond in een literaire sandwich gevangen zitten. Het is echter niet de schrijver maar de gemiddelde beroepslezer die zijn eigen tanden stukbijt vanwege het beperkte leesvoer dat hem ooit tijdens zijn studietijd werd voorgezet.

Wie worden geacht verstand van literatuur te hebben? Dat zijn zij aan wie mensen die autoriteit toekennen dan wel zij die zich iets dergelijks aanmeten. Ik noem de dames en heren wetenschappers en critici, kortom wie met een zekere regelmaat iets op papier zet dat gaat over literaire kwesties. Voor het gemak zal ik dus maar even voorbijgaan aan het peloton ijdeltuiten dat in commissies gaat zitten om literaire prijzen te verdelen, stipendia te verstrekken en de auteur aan te wijzen voor het schrijven van zoiets als het jaarlijkse Nederlandse boekenweekgeschenk. Want die lui gedragen zich aldoor vaker als slaven van handelaren in euro’s, vis en oud papier.

Nu is het zo, dat wetenschappers soms als criticus optreden en dat critici soms een wetenschappelijke achtergrond hebben. Eén pot nat zou ik dat stel niet willen noemen, maar als u ze zo wilt zien, dan vind ik het best. Toch maar even iets verduidelijken. Want wat u als lezer van ‘Indische literatuur’ op uw bord krijgt, is namelijk eerder door de handen van deze zogenaamde ‘smaakmakers’ gegaan, suffig leunend tegen sorteermachines via welke de afgrijselijkste boeken bijkans het eeuwige leven gekregen hebben en de mooiste een wiegendood gestorven zijn.

Critici zonder wetenschappelijke achtergrond heb je ook. Die zijn doorgaans naïef, om niet te zeggen onnozel. Ze steken hun natte vinger in de lucht om te zien uit welke hoek de wind waait en rammen dan hun verplicht nummertje uit de laptop aan de keukentafel, met het bordje gestolde Brinta naast zich en jengelende kinderen om zich heen. Is de trend feministisch, dan bespreken ze elke feministe positief en elke machoschrijver negatief. Is de trend multicultureel, dan krijgen elke Saïd en Rachida bij voorbaat een plus voor hun bordenwasserproza en elke Jan en Katrijn bij voorkeur een min voor hun boerenkoolpoëzie.

Ik heb het nu over de doorsnee boekbespreker. Als ik u vertel dat daar een zooi zuiplappen onder zitten wier smaakpapillen geen onderscheid kunnen maken tussen sambal trassi en tomatenketchup, dan kunt u zich misschien voorstellen dat voor hen de rames van de Indische literatuur zonder meer op de multiculturele menukaart geplempt kan worden tussen de souflaki, de couscous en de vlammetjes van Piet Patat op Mallorca. Een boekbespreker met een dergelijk referentiekader bezit een macht die te vergelijken is met de douanier die beslist wie er wel en wie er niet de grens over mag. Gezag heeft zo’n boekbespreker zelden, tenzij die voor een gezaghebbende krant schrijft en daardoor enig gezag krijgt toegeschreven. Dán wordt zo iemand een onuitstaanbaar dom boegbeeld van een schip dat uiteindelijk naar de pijpen danst van de Heeren Zeventien van de Nederlandse literatuur: zij die wel eventjes zullen uitmaken wie er wel en wie er niet op de scholen worden gelezen.

Momenteel het zo, dat in heel literair Nederland er niet één vaste boekbespreker rondloopt met werkelijke kennis van zaken waar het gaat om Indische literatuur. Wordt er een of ander boek gelanceerd dat in de ogen van de hoofdredacties van de gezaghebbende kranten waarschijnlijk wel de moeite van het bespreken waard is, dan wordt een zogeheten ‘kenner’ van het genre gevraagd een recensie te schrijven. Het gaat dan vaak om dikke boeken, want, zo denkt men in de redactielokalen: de uitgever heeft er veel poen in gestopt, dus dan zal het ook wel wat zijn. Een voorbeeld hiervan is mijn bloemlezing Oost-Indische inkt uit 1998. De uitgever besteedde veel aandacht aan het uiterlijk, hing er een serieus prijskaartje aan en de grote kranten hingen direct aan de telefoon van enkele gezaghebbende wetenschappers.

Geven krantenredacteuren hiermee impliciet aan de beperkingen van hun vaste boekbesprekers te kennen? Hoe dan ook: in elk geval weten ze dat er een groot publiek is voor boeken met een Indische uitstraling. Heeft een wetenschapper nou toevallig even een middagje tijd en kan hij of zij met een recensie invloed uitoefenen op de weg die zo’n boek aflegt, dan krijgt het leespubliek opeens een stuk onder ogen van een recensent die voor de rest van het jaar de mond maar weer houdt. Het gaat hier veelal om overzichtswerken met betrekking tot de Indische literatuur. Voor contemporaine prozawerken komt deze zogenaamde autoriteit niet in actie. Hij of zij verlaagt zich niet tot zoiets ordinairs als zeg een maandelijkse boekbespreking. Men beweegt zich op een ander niveau om zo te zeggen. Dus niet tussen de koffiedames en postbodes op het redactielokaal van een krant maar tussen de koffieautomaten en kopieermachines van een of andere universiteit of instituut.

Wat spoken zij daar dan wel niet uit? Nou, ze wisselen artikelen uit, maken elkaar onsterfelijk in de voetnotengalerij en laten bijvoorbeeld elk kwartaal iets van zich horen via hun orgaan, in het onderhavige geval getiteld Indische Letteren met een grote L. De titel van dat kwartaalblad is listig gekozen, want Indische letteren met een kleine L is een onwettige, dus niet erkende literaire tak aan de boom van de Nederlandstalige letteren. De oprichters van het kwartaalblad Indische Letteren hebben als het ware beide, dus de term én de naam, geclaimd. En dat is nogal arrogant voor een stel discipelen dat na het verstrijken van de dertiende jaargang in 1998 het eerste nummer van de véértiende jaargang wederom liet verschijnen in 1998. Deze omissie vond plaats in maart 1999. Met de millenniumwisseling in zicht zullen de schatbewaarders van de Indische letteren ongetwijfeld hebben gezien dat de houdbaarheidsdatum van hun tijdschrift eigenlijk al was verstreken. Ze zijn dan ook niet zelden laat als er werk aan de winkel is. Zo bestaat de Tweede Generatie Indische schrijvers bijvoorbeeld al even lang als de club rond het tijdschrift Indische Letteren, maar een serieus overzicht van deze groep schrijvers zal men in geen der jaargangen aantreffen.

Het tijdschrift Indische Letteren is zich ooit gaan opwerpen als hoeder van de koloniale literatuur. Indische Letteren blikt voornamelijk terug. Dat is logisch, maar het getuigt eveneens van een verregaande kortzichtigheid. Indië bestaat dan wel niet meer, maar het Indische toch zeker wél. Een beetje meer bij de tijd blijven en vooruit kijken zou dus wel wenselijk zijn, wil je als literaire tak serieus genomen worden.

Een vraag: hoé kijken ze bij het tijdschrift Indische Letteren terug? Antwoord: voornamelijk domweg inventariserend zonder ooit maar tot een duidelijke formulering te komen van wát Indische literatuur nou eigenlijk is. Zij kunnen het hun vakgenoten die zich louter met de Nederlandse polderliteratuur bezighouden in elk geval níet uitleggen. En wie niet kan uitleggen waar-ie mee bezig is, die wordt natuurlijk niet serieus genomen. Met als ernstig bijkomend nadeel dat dientengevolge ook hedendaagse Indische schrijvers niet serieus genomen worden.

Wat behelzen de Indische letteren nou eigenlijk? Het antwoord luidt: een heleboel. Méér dan zelfs de meest verwoede lezer lief is. Zo wemelt het al van de onduidelijkheden rond de betekenissen van prekoloniale, koloniale, postkoloniale, neokoloniale, Indisch-Nederlandse of Nederlands-Indische, kortom: de Indische letteren. Wat is wat? Weet u het? Nou, zij weten het niet. Als canon zijn de Indische letteren een janboel, die enerzijds breder moet worden gedefinieerd en anderzijds door strengere specifieke literaire eisen moet worden beperkt tot een overzichtelijk geheel, opdat men ook in de Amsterdamse Grachtengordel enig idee krijgt waar we het nou eigenlijk over hebben.

Rob Nieuwenhuys als godfather van de Indische literatuur heeft ons met zijn Oost-Indische Spiegel in 1972 een overzichtswerk geboden dat handelt van de vroegste scheepsjournalen tot en met de werken van zo’n beetje de laatsten die in Indië dan wel in een kersvers Indonesië geboren zijn. Het standaardwerk lijkt compleet en solide, is bijzonder leesbaar maar rammelt aan vele kanten. Schrijvers met nauwelijks meer talent dan een redacteurtje van een buurtkrant krijgen van Pak Rob een eervolle vermelding, terwijl anderen met waardevolle boeken naar de prullenbak worden verwezen. Onze beroemde Pak Rob heeft – aantoonbaar! – lang niet alles intensief van a tot z gelezen, hij heeft het ons alleen maar op de mouw weten te spelden, wat op zich wel een aardige apenstreek genoemd kan worden.

Rob Nieuwenhuys heeft eens verklaard dat het maar eens afgelopen moest zijn met de Indische literatuur en trok op de gok een streep onder de laatste naam die aan de overkant was geboren: een zekere Kester Freriks. Deze schrijver heeft dit blijkbaar zo zeer als een compliment opgevat dat hij in zijn dorst naar literaire onsterfelijkheid Indië tenslotte maar ‘eeuwig’ is gaan noemen. Dat Rob Nieuwenhuys in een later stadium de lijn doortrok naar de Tweede Generatie in een bescheidener overzichtswerk, getiteld Oost-Indisch Magazijn, geschiedde op instigatie en met medewerking van Bert Paasman en Peter van Zonneveld, twee redacteuren van het tijdschrift Indische Letteren. Dat was in 1990. Sedertdien zijn er nieuwe Indische schrijvers opgestaan, maar de wetenschappers gaan in het algemeen toch het liefst over lijken.

De leden van de club rond het tijdschrift Indische Letteren leken zich in 1990 rekenschap te gaan geven van de taak men zichzelf had gesteld: het werk van Rob Nieuwenhuys voortzetten. Maar ze doen het niet. Veel verder dan wat herkauwen en hier en daar een gaatje stoppen komen ze niet. Een andere kijk dan hun godfather Rob Nieuwenhuys ontwikkelen ze nauwelijks, ze houden zich het liefst bezig met de ‘verbreding van het aandachtsveld’. Alles, maar dan ook álles dat gaat over Indië wordt onder de wetenschappelijke loep gelegd. Nog even en ze bombarderen de Reynaert óók tot de Indische literatuur, aangezien, zoals u weet, de vos toevallig bruin is.

Nieuwenhuys’ discipelen van Indische Letteren zijn aardige schatbewaarders, maar zijn te zeer blijven hangen in wetenschappelijk geleuter om de Indische literatuur door middel van een up-to-date overzichtswerk enig gewicht te geven en het zo een serieuze plek te bieden binnen de Nederlandstalige literatuur.

In de Indische literatuur ligt het accent op de koloniale tijd. Het perspectief daarin ligt grotendeels bij totokschrijvers, die wat ruimer in getal zijn vertegenwoordigd. Maar omdat het Indische ná Indië in de allereerste plaats bestaat bij gratie van Indo’s en Indo-kinderen zou het toch allang méér dan vanzelfsprekend moeten zijn om de boeken van vergeten Indoschrijvers te gaan herlezen, herwaarderen en bij het publiek opnieuw onder de aandacht te brengen. J.J.Th. Boon, alias Tjalie Robinson en alias Vincent Mahieu uitroepen tot de one and only Indoschrijver aller tijden is dodelijk voor de rest van de Indo-tak, die met gemak 30 goede schrijvers kan halen. Waarom niet laten zien welke Indo-schrijvers vóór en ná hem kwamen, zodat hij wellicht nog meer kan stralen in zijn uniciteit? Hoe breder de basis, hoe hoger de top van de piramide, dacht ik zo.

Overeenkomsten en verschillen in accenten en perspectief van totokschrijvers ten opzichte van Indoschrijvers in de Indische literatuur worden veel te weinig serieus onderzocht, terwijl juist zo’n studie zou kunnen leiden tot een duidelijker definiëring van wat Indische literatuur nou eigenlijk is. Indo-schrijvers kunnen niet zonder meer gelijk worden gesteld aan koloniale schrijvers, omdat Indo’s zowel tot de groep van kolonisatoren als gekoloniseerden behoorden. Mijn persoonlijke leeservaring van vergeten boeken van Indo-schrijvers heeft mij geleerd dat boeken van Indo’s meestal een genuanceerder beeld geven van de gemengde samenleving in Indië dan die van totokschrijvers. Indo-schrijvers weten net even beter het fijne te vertellen van de verhoudingen tussen laten we zeggen totoks, ‘inlanders’ en indo’s. Die nuances zitten niet zelden verstopt in terloopse detailleringen, waar de gemakzuchtige lezer snel overheen leest. Daarop moet het huiswerk van Rob Nieuwenhuys opnieuw worden gedaan en in de prullenbak geworpen boeken er weer uit worden opgevist en opnieuw op hun waarde worden getoetst.

Koloniale literatuur is dus niet synoniem aan Indische literatuur. Dát misverstand moet de wereld uit. Dan ben je meteen van het gelazer af wie er nou eigenlijk tot de postkoloniale literatuur moeten worden gerekend. Nu zijn dat onder andere nog de Indo-schrijvers. Wat mij betreft plakken ze dat etiket op totokschrijvers die koketterend met het buitengaetse zich opeens allemaal zo nodig expat moeten gaan noemen. Sommigen lopen met succes in zogenaamd ‘Indisch-literaire kringen’ te leuren met hun door het Fonds voor de Letteren gesubsidieerde verhalenbundeltjes over verlopen hippies die op Java en Bali neerstrijken om er zich dagelijks tegen een spotprijs door minderjarige jongens en meisjes te laten pidjitten, als u begrijpt wat ik bedoel. Ze doen hun best maar. Dan kan de term Indische literatuur voortaan staan voor bellettrie geschreven door Indo-schrijvers van toen, nu en morgen.

In de pers worden contemporaine totokschrijvers opvallend eerder serieus genomen dan Indoschrijvers, wanneer het over Indië dan wel het Indische ná Indië gaat. Hetzelfde geldt voor Indische schrijvers – ditmaal zowel totoks als Indo’s – uit het land van herkomst ten opzichte van schrijvers uit het land van aankomst. Een Indisch decor spreekt kennelijk meer tot de verbeelding dan een Hollands decor. Daarom blijft de Indische herinneringsliteratuur dominant ten opzichte van de hedendaagse Indische literatuur. En daardoor komt de hedendaagse Indische literatuur in een volkomen verkeerd daglicht te staan.

De discussie gaat té vaak over de rol van contemporaine Indische schrijvers die Indië wél hebben meegemaakt en zij die Indië niet hebben meegemaakt. Waarbij de winnaars áltijd diegenen zij die Indië wél hebben meegemaakt. Schrijvers van de Tweede Generatie springen veelal pas in het oog wanneer zij het Indoschap van zichzelf of van hun ouders in een problematisch perspectief zetten. Een wérkelijk probleem is echter dat familieverhalen – per slot van rekening de basis van de Indische literatuur – niet zonder meer kunnen worden verteld: de Indische mengcultuur is te complex voor de doorsnee Nederlandse recensent, binnen wiens referentiekader meestal maar een paar bekende klassiekers van totokschrijvers model staan voor het geheel.

Als ik Bert Paasman mag geloven, zal binnen niet al te lange tijd toch een nieuw overzichtswerk gaan verschijnen. Hij heeft namelijk met enkele collega’s het plan opgevat om een handboek samen te stellen over Indische, Surinaamse, Caribische en Afrikaanse literatuur. Hij vertelde me dit naar ik hoop níet in vertrouwen, want dan heb ik hem met deze slip of the tongue toch maar mooi even met een extra klusje opgezadeld.

Maar ach: plannen zat, als je zo eens om je heen kijkt. De hele wereld doet niets anders dan plannen rondbazuinen. Als het erop aankomt krijgen we toch gewoon een riolering in de vorm van een tramtunnel in de Haagse binnenstad, een Indisch Herinnerings Centrum op de Haagse Poetjak waar men zich vóór de opening al niet meer herinnert wat de plannen ook al weer waren, of een door Pelita gestichte Indische woongroep in een omgebouwde sick building met uitzicht op Medisch Centrum Haaglanden.

Zo’n nieuw handboek van Bert Paasman zal vast wel een register krijgen dat kilometers afwijkt van het voorwoord, zal ongetwijfeld ook ergens ondergronds worden gedrukt, geheel aan de aandacht van de media voorbijgaan en louter een aantrekkingskracht uitoefenen op familie, kennissen en buren van de samenstellers en in een stijl geschreven waar ik nú al hoofdpijn van krijg.

Maar toch: beter iets dan niets. Er is namelijk dringend behoefte aan een nieuw handboek, en wel hierom: op 17 januari 1997 vond er in het gebouw van de Eerste Kamer een studiedag plaats, georganiseerd door de Nederlandse Taalunie. Een groep van liefst 50 Neerlandici en literatuurwetenschappers discussieerde er over de uitgangspunten van een nieuwe geschiedenis van de ‘Nederlandstalige’ literatuur, die vanaf het jaar 2004 deelsgewijs moet verschijnen. Nou, het project was nog niet begonnen of men stuitte al op de volgende ‘problemen’: hoort de Vlaamse literatuur eigenlijk wel bij de Nederlandse? Moeten Surinaamse auteurs opgenomen worden? En: is er wel sprake van een Indische literatuur? En dat zit dan te vergaderen over de NederlandsTALIGE literatuur.

Onder de groep van 50 Neerlandici en literatuurwetenschappers die intussen al 4 jaar lang bezig is de nieuwe smaak te bepalen voor toekomstige generaties, bevindt zich een afvaardiging van 3 leden uit Indische, Surinaamse en Afrikaanse literaire hoek. Die hebben het de overige 47 Batavieren niet aan het verstand kunnen brengen wat nou precies onder Indische letteren moet worden verstaan.

Aangezien wij leven in een tijd van ideeën lanceren, vernieuwing en originaliteit verzon de voltallige club maar weer eens iets ánders om tot het schrijven van het beoogde standaardwerk te komen: uitgangspunt is een rijtje zogeheten belangwekkende historische feiten in de Nederlandse geschiedenis. Ha, mooi, dan hoeven we ze niet meer uit te leggen wat Indische literatuur nou eigenlijk is!

Nou, nee. Ik kan u nu al vertellen dat de onafhankelijkheid van Indonesië en de dekolonisatie niet bij die zogedachte ‘belangwekkende historische feiten’ zullen zitten, want wij Indische mensen schijnen hier zo geruisloos aangekomen te zijn, dat men ons tot op de dag van vandaag nog niet heeft opgemerkt, tenzij er per ongeluk 385-miljoen onze kant op wordt geschoven.

Ik verdenk onze literaire afvaardiging van een schijnvertoning. Wie met drie personen aan de onderhandelingstafel blijft hameren op het feit dat de onafhankelijkheid van Indonesië en het dumpen van Suriname geschiedkundige voorvallen zijn waar je in het licht van de huidige bevolkingssamenstelling nauwelijks omheen kunt, die moét toch een gehoor vinden. En daarmee een plaats voor althans de belangrijkste schrijvers waar het om Indië en het Indische gaat. Waren ze niet bruingebrand genoeg, die afgevaardigden van de non-polderliteratuur? Wensen ze eigenlijk niet stilletjes de marge zodat ze het debat met de opperbatavieren van de Nederlandse letteren niet hoeven aan te gaan? De patatvrije boekenplank in een verscholen toko ergens in een Zoetermeers achterafstraatje? Het lijken wel Indo’s uit de jaren vijftig, die literatuurwetenschappers van nu.

Waarom hebben Indische mensen zoiets als een herinneringscentrum nodig? Omdat er voor hen geen herkenbaarheid ligt in de Nederlandse geschiedschrijving, die we ook na een halve eeuw wachten níet zullen krijgen in het nieuwe literatuuroverzicht van de grootboekhouders der polderliteratuur. Dat nieuwe overzichtswerk zal hopelijk niet zo lang meegaan als die nieuwe spelling waarmee een zelfde club idioten ons opgezadeld heeft, geheel naar de eisen van de tijd onder druk van een poenige uitgever die al zo veel geld had gestoken in de productie van het nieuwe woordenboek dat alleen dáárom die nieuwe spelling niet kon worden afgeblazen en ons nu in rode, groene en geile boekjes door de strot wordt geduwd.

Een alternatieve literatuurgeschiedenis, waarin onder andere de werken behorende tot de zogenoemde Indische literatuur een plaats krijgen, is dus een noodzaak. Maar hoe moet die Indische literatuurgeschiedenis er nou eigenlijk uitzien? Nou, daarover wordt flink gebakkeleid onder de wetenschappers die elk kwartaal braaf hun nieuwe aflevering van Indische Letteren volschrijven.

De een wenst de literatuurgeschiedschrijving te laten beginnen met de invoering van het cultuurstelsel rond 1825 en de eindstreep te trekken rond 1942, toen de Japanners een einde kwamen maken aan de koloniale Nederlandse heerschappij. Voor zo iemand bestaan uiteraard louter de koloniale letteren en niet de Indische en al helemaal niet de Indische literatuur na Indië.

Een ander vindt dat de VOC-tijd óók bij de Indische literatuurgeschiedenis moet worden betrokken én daarbij het Indische na Indië. Kortom: zijn aandachtsveld is zo breed als maar kan zijn, maar een zwakte is weer dat hij nauwelijks literaire criteria weet aan te leggen.

A: Schijnt de zon op bladzijde 1?
B: Ja.
A: Staat er een palmboom op bladzijde 2?
B: Ja.
A: Valt er op bladzijde 3 een kokosnoot op de kop van een bestuursambtenaar?
B: Eh…ja!
Hamer: interessante Indische Literatuur!

A: Regent het op bladzijde 1?
B: Ja.
A: Staat er een bruine vader voor het raam op bladzijde 2?
B: Eh, beetje onduidelijk, niet helemaal goed te zien.
A: Geurt de trassi de lezer tegemoet op bladzijde 3?
B: Hm, nee, ik geloof dat de kinderen patat en kroketten om de hoek zijn gaan halen.
A: Patatje mayo of pinda?
B: Mayo.
Hamer: géén Indische literatuur! Met dien verstande – zegt weer een derde – dat als het patatje mayo wordt verorberd onder de luifel van een Indisch toko op de Beeklaan, dat het boek in kwestie dan misschien toch wél tot de Indische literatuur zou kunnen worden gerekend.

En zo leutert men maar aan. In elk geval zijn de wetenschappers tot de ontdekking gekomen dat Rob Nieuwenhuys’ standaardwerk Oost-Indische spiegel is verouderd. Een klassieker blijft het, dumpen moeten we het boek in géén geval. Ook is men tot het lucide, zo niet revolutionaire inzicht gekomen dat het nieuwste overzicht van de koloniale Nederlandse literatuur, geschreven door de Amerikaan E.M. Beekman, bijkans ongenietbaar is voor niet-Amerikanen, als het al genietbaar is voor Amerikanen zelf. Het boek laat het licht grotendeels op slechts 20 auteurs schijnen en houdt op bij de dekolonisatie van Nederlands-Indië. Het enige positieve dat kleeft aan Paradijzen van weleer – zo heet dat boek in Nederlandse vertaling – is dat Beekman niet elk stukkie tekst uit Indië bombardeert tot iets uiterst waardevols, zoals men in Indische Letteren nogal eens pleegt te doen.

Door alsmaar terugblikken krijgt namelijk tenslotte ook het briefje in de fles van een VOC-drenkeling literaire waarde toegemeten. Belachelijk, want de Indische literatuur is nog altijd springlevend. En pertinent niet alleen zoals de boekentoptien die ons laat zien. Zolang de Tweede Generatie niet behoorlijk in kaart is gebracht en gepresenteerd, kun je moeilijk spreken van zoiets als ‘Indisch na Indië’. En zonder een Tweede Generatie is er geen Derde Generatie die zich aangemoedigd voelt een bijdrage te leveren aan de interessantste geschiedenis van de Lage Landen, die Nederland zelf tot op heden met grandioos succes uit de boeken weet te houden.

Nog maar even een nieuwtje: het laatst geworven redactielid binnen de club rond Indische Letteren houdt zich intensief bezig met de VOC-tijd. Leuke hobby, lekker ver van huis. Maar dames en heren, iemand met de blik op het hier en nu en de dag van morgen gericht… die zal je onder die lui niet aantreffen. ‘Indisch na Indië’ heeft eenvoudig hun belangstelling niet. Ze zullen het niet toegeven en allerlei uitvluchten verzinnen, hoe dan ook: progressiviteit kennen ze niet. Dus wie interesse heeft in het Indische na Indië, die zal zijn of haar heil bij een ander tijdschrift moeten zoeken.

Nou, tijdschriften zat, maar er is er geen dat duidelijk gedragen wordt door leden van de Tweede Generatie zelf. Voor dát opvallende feit kun je moeilijk je beklag gaan doen bij de Leidse hoeders van de Indische letteren. Een generatie die zichzelf niet profileert via zoiets voordehandliggends als een tijdschrift, die is volkomen afhankelijk van de gunsten van anderen. Deze situatie mag niet blijven voortduren.

Alle huidige Indo-schrijvers van de Tweede Generatie zijn geboren tussen 1948 en 1953 en bevinden zich bovendien in het gezelschap van totokpublicisten van naam en faam met wie zij regelmatig een tijdschrift zouden moeten kunnen volschrijven met artikelen en verhalen die er nú toe doen. De Derde Generatie is in aantocht en ik zie niet waar die met hun stukken naartoe zou moeten. Ik heb negen maanden lang een wekelijks internetjournaal gerund en in die periode zeven medewerkers om me heen weten te verzamelen, onder wie zelfs een Nederlands sprekende en schrijvende Peranakan-Chinese uit Semarang. Personen die onbetaald hun bijdragen wilden leveren. Ik stel me voor dat als ik niet alleen was geweest wij intussen al enkele tientallen publicisten hadden gevonden. Kortom: talent en enthousiasme genoeg. Nou, waar blijft het broodnodige platform?

Bij bekende Nederlandse tijdschriften zie je dat de ene de andere generatie opvolgt. Je ziet ook dat het niet nodig is eerst de ene generatie ten grave te dragen eer je met de volgende aan kunt komen zetten. Er zijn meer totoks dan Indo’s in Nederland, dus zijn er ook meer tijdschriften bedoeld voor totoks. Indische tijdschriften kennen we natuurlijk ook – meer dan genoeg volgens sommigen – maar van een werkelijk progressief Indisch-na-Indië-tijdschrift heb ik nog nooit gehoord. De Pasarkrant komt er naar mijn smaak nog het dichtst bij in de buurt, maar is helaas gelieerd aan de Pasar Malam Besar en kan daarom niet als onafhankelijk dan wel progressief spreekorgaan dienen. Bovendien houdt deze krant op te bestaan en gaat het terug naar wat het ooit was: een programmablad voor de jaarlijkse Pasar Malam Besar. Met het verdwijnen van de extra nummers verdwijnt er dus ook een stem die dan wel niet officieel de stem van de Tweede Generatie was, maar naar mijn smaak toch wel het meest van alle Indische periodieken in die richting kwam.

Een vooraanstaand Indisch publiciste zei me eens dat voor Indische schrijvers-in-spé er geen Indische uitgeverij hoefde te bestaan, omdat het talent vanzelf de weg zou vinden in uitgeversland. Aan die uitspraak begin ik onderhand te twijfelen. Uitgeverij Vassallucci profileert zich de laatste jaren zo overduidelijk als multiculturele uitgeverij, dat ze als honing werkt op jonge schrijvers met een Marokkaanse, Turkse, Chinese en ga-zo-maar-door-achtergrond. Was deze uitgeverij niet zo opvallend in de schijnwerpers gaan staan, dan zouden de schappen in de boekhandels intussen toch echt wel wat minder gevuld zijn geweest met werken van onze multiculturele broeders en zusters.

Nu de gemiddelde leeftijd van de Tweede Generatie zo’n beetje de 50 nadert, zal de Derde Generatie intussen tenminste toch wel weten wat het is om zoiets als een schoolopstel te schrijven. De Derde Generatie is overigens niet gebonden aan Tweede Generatie-ouders. Immers: Indo’s met een of twee ouders direct afkomstig uit Indië maar een stuk later geboren – zeg in de jaren 60 – die zijn vaak geneigd zich op grond van hun leeftijd ook tot de Derde Generatie te rekenen.

Nou, wat vreet die Derde Generatie al niet uit? Waar blijven ze met hun proza, die Derde Generatie Indo’s? Hebben zij niet hun eigen Indische thema soms? Mochten er enkelen met het plan rondlopen zich aan de fictie te gaan wijden, dan kan ik hen alvast vertellen dat absolute literaire vrijheid voor de Indoschrijver een mythe is. Het zogeheten ‘kleur bekennen’ wordt je als schrijver eenvoudigweg opgedrongen. Ik heb dat geprobeerd aan te tonen in eerdere artikelen. Wie dat feit onderkenden waren Indo’s en wie dat feit glashard ontkenden waren totoks. Tja, hoe zou dát nou komen.

Kennis van de geschiedenis van de Indo en het vertellen daarover lijkt een taak die elke Indoschrijver tijdens zijn carrière zal moeten aanvaarden, al is het maar voor eens en daarna nooit weer. Dat geldt voor schrijvers van elke generatie, dus ook voor de derde. Let wel: ik heb het over het schrijven van proza, fictie. Verhalen. Novellen. Romans. Wetenschappelijke artikelen worden niet door het gewone volk, zeg maar het publiek van Vassallucci, gelezen. ‘Indisch na Indië’ veroordelen tot een permanent verblijf in de wetenschappelijke salon staat gelijk aan het geleuter van de club rond Indische Letteren. Het leespubliek heeft verhalen nodig, al is het maar omdat de kennis van de Indische geschiedenis al zo gebrekkig is. Ik ben optimistisch, want ondanks de kortzichtigheid waarmee men belangrijke stemmen buiten de officiële literatuurgeschiedenis weet te houden, heeft de schrijver nog altijd het laatste woord.

Moet de Derde Generatie worden uitgedaagd? Ik denk het niet. Maar een thuishaven in de vorm van een breed cultureel Indisch tijdschrift, gastvrij ook naar overige multiculturele groepen, zou onderhand toch echt geen overbodige luxe zijn. Wat de boekhouders van de Indische letteren verzaken, dat doen wij van de Tweede Generatie óók: initiërend werken in een regelmatig verschijnend orgaan. Een grote nadruk leggen op het ‘Indische ná Indië’. Het is alsof de Tweede Generatie tegen de Derde Generatie zegt: ‘De Eerste Generatie heeft het ons allemaal zelf laten uitzoeken, dus zoeken jullie het nu óók zelf maar uit.’

Als je een dergelijke scheiding wenst te handhaven, dan zul je voor de niet-Indische wereld nooit dat smoel krijgen waarmee je je duidelijk kunt affichiëren bij alles wat je onderneemt.

Voor de Eerste, Tweede en Derde Generatie gaat het onderhand toch steeds minder om de verschillen en meer om de overeenkomsten. Overeenkomsten vormen de basis. Met verschillen kunnen interessante nuanceringen worden aangebracht. Een Tweede Generatie in een voortrekkersrol zou een brug moeten kunnen slaan tussen de Eerste en de Derde Generatie.

Dat kan, als de wil er tenminste is. Haastige spoed is geboden. Wij hebben het eeuwige leven niet. Maar als we mooie werken achterlaten, wie weet… dan wél.

* * *
De Studiedagen Indische Nederlanders VI vonden plaats op 25 & 26 juni 2001 onder het motto Het Indische na Indië. Gastvrouw van de Studiedagen was de Pasar Malam Besar op het Malieveld te Den Haag. De studiedagen werden georganiseerd door Centrum voor de Geschiedenis van Migranten (Universiteit van Amsterdam), Instituut voor Migratie- en Etnische Studies (UvA), Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur (Universiteit van Utrecht) en Stichting Tong Tong. Leden van het organisatiecomité waren Esther Captain, Ellen Derksen, Esther Wils, Rick Wolff en de bedenker van de Indische Studiedagen Wim Willems. Deze tekst werd voorgedragen door de acteur Victor Löw vanwege een kortstondige ziekenhuisopname van de auteur.